ECLI:NL:RBDHA:2025:8078
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens verbreking gezinsband
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid, werd geconfronteerd met intrekking van zijn vergunning nadat de relatie met zijn voormalige partner was verbroken. De minister stelde vast dat eiser sinds september 2023 niet meer bij de referente woont en niet meer op hetzelfde adres staat ingeschreven, wat leidt tot de conclusie dat de verblijfsvergunning niet langer gerechtvaardigd is.
Eiser voerde aan dat de belangenafweging door de minister onvoldoende was gemotiveerd, met name dat het economisch belang van Nederland niet juist was meegewogen. Hij benadrukte zijn arbeid bij een productiebedrijf dat een tewerkstellingsvergunning voor hem heeft aangevraagd, zijn belastingafdracht en het feit dat hij geen beroep heeft gedaan op de openbare kas.
De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht het economisch belang heeft meegewogen, mede gelet op het feit dat eiser na het verbreken van de relatie tijdelijk dakloos was en afhankelijk is van publieke voorzieningen zoals gezondheidszorg en huisvesting. Tevens is vastgesteld dat eiser onder de drempelwaarde voor toeslagen en sociale huurwoning valt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de intrekking van de verblijfsvergunning blijft staan en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.