ECLI:NL:RBDHA:2025:8090

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
9 mei 2025
Zaaknummer
NL25.5311
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit visum kort verblijf wegens schending hoorplicht

Eisers, houders van de Iraakse nationaliteit, vroegen op 11 juli 2023 een visum kort verblijf aan voor familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van onvoldoende aannemelijkheid van het doel en onvoldoende sociale en economische binding met Irak. Dit besluit werd in bezwaar gehandhaafd. Eisers stelden dat de minister hen had moeten horen alvorens het bezwaar te beslissen, omdat zij uitgebreide documentatie hadden overgelegd en bereid waren aanvullende toelichting te geven.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van de hoorplicht. Hoewel de minister meende dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, blijkt uit het dossier dat er vooral vragen en onduidelijkheden zijn over de economische binding van eisers. Eisers hebben tijdens de procedure aanvullende stukken overgelegd en willen deze graag toelichten in een hoorzitting. De rechtbank volgt de jurisprudentie dat bij twijfel over de grondslag van het bezwaar de hoorplicht geldt.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en wijst het terug naar de minister voor een nieuwe besluitvorming waarbij eisers worden gehoord. De rechtbank wijst de proceskosten toe aan eisers. Andere beroepsgronden worden niet behandeld omdat de schending van de hoorplicht het besluit reeds onrechtmatig maakt.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en de minister moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen na het horen van eisers.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser

en
[eiseres], [nummer 2], eiseres
samen: eisers
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en

de minister van Buitenlandse zaken

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Inleiding

1. In een tweetal besluiten van 4 augustus 2023 heeft de minister van Buitenlandse zaken de aanvraag van zowel eiser als eiseres voor een visum kort verblijf bij mevrouw [persoon A] (referent) afgewezen. Deze beslissing heeft de minister in zijn beslissing op bezwaar van 7 januari 2025 (het bestreden besluit) gehandhaafd.
1.1.
Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent en de gemachtigde van de minister

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens schending van de hoorplicht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. Eisers hebben de Iraakse nationaliteit. Eiser is de zoon van eiseres. Op 11 juli 2023 hebben eisers een aanvraag gedaan voor een visum voor kort verblijf met als doel familiebezoek bij referent voor twintig dagen. Referent is de dochter van eiseres en de jongere zus van eiser. Het verzoek is afgewezen en de minister heeft deze beslissing in bezwaar gehandhaafd. Hiertegen is beroep ingesteld.
3.1.
De minister heeft aan de afwijzing een tweetal weigeringsgronden ten grondslag gelegd. De minister stelt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aannemelijk zijn gemaakt. Daarnaast stelt de minister dat de sociale en economische binding van eisers met Irak onvoldoende is aangetoond danwel gering is gebleken, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eisers het Schengengebied (tijdig) zullen verlaten.
Heeft de minister de hoorplicht geschonden?
4. Eisers betogen dat de minister hen had moeten horen alvorens te beslissen op het bezwaar. Het is duidelijk dat door zowel eisers als referent alle moeite is gedaan om relevante documenten te overleggen om hun aanvraag te onderbouwen. Er is al in bezwaar een groot aantal documenten overgelegd en toegelicht. Eisers betogen dat, als de minister meent dat er andere stukken overgelegd hadden moeten worden, hij eisers daartoe de gelegenheid had moeten bieden door hen te horen of een herstelmogelijkheid te bieden voor hun verzuim. Eisers betogen verder dat de minister beter had moeten motiveren dat en waarom er sprake zou zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar op grond waarvan hij ervan mocht afzien hen te horen. Er is niet voldaan aan de vereisten om te kunnen afzien van de hoorplicht op grond van 7:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers zijn hierdoor in hun belangen geschaad omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om toe te lichten hoe bepaalde omstandigheden tot een ander inzicht hadden kunnen leiden en om eventuele gebreken te herstellen. De minister heeft daardoor onzorgvuldig gehandeld.
4.1.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij van horen heeft kunnen afzien omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. De minister baseert deze conclusie op alles wat in de aanvraag en bezwaarprocedure is aangevoerd, in combinatie met de inhoud van het bestreden besluit. Op zitting heeft de minister dit standpunt toegelicht en gesteld dat, hoewel er in bezwaar nieuwe stukken zijn overgelegd, dit geen reden geeft om eisers (of referent) te horen. Die stukken zijn toegelicht in het bezwaarschrift en hiermee wordt de economische binding van eisers alsnog onvoldoende onderbouwd. Hieruit blijkt namelijk onvoldoende dat eisers een substantieel en regelmatig inkomen hebben in Irak. Zo blijkt volgens de minister uit de door eiseres overgelegde verklaring niet dat eiseres daadwerkelijk een pensioenuitkering ontvangt.
Ook de documenten die eiser heeft overgelegd acht de minister onvoldoende. Zo stelt hij dat de bedrijfslicentie, de accountantsverklaring en de zakelijke bankafschriften onvoldoende zijn om aan te nemen dat eiser daadwerkelijk als zelfstandige werkzaam is of dat hij inkomsten uit zijn bedrijf genereert. Omdat de overgelegde bewijsstukken in bezwaar onvoldoende zijn om tot toewijzing van het gevraagde visum kort verblijf over te gaan heeft de minister van horen af mogen zien. Ter zitting heeft de minister bevestigd dat, anders dan blijkt uit het besluit, voor eiser is gebleken dat hij sociale binding heeft, maar de economische binding onvoldoende is aangetoond.
4.2.
De rechtbank volgt het betoog van eisers dat niet is voldaan aan de vereisten om te kunnen afzien van de hoorplicht op grond van artikel 7:3 Awb Pro. In artikel 7:3 sub b Awb Pro is bepaald dat de minister af kan zien van het horen van eisers indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is aldus de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 6 juli 2022 het geval indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [1]
In deze uitspraak heeft de Afdeling ook geoordeeld dat, indien de minister concludeert tot een kennelijk ongegrond bezwaar omdat nog niet alle relevante informatie is overgelegd of omdat er zaken onduidelijk zijn, in beginsel moet worden gehoord. Hierbij is relevant of expliciet is verzocht om een hoorzitting en of daarbij is aangegeven welk concreet belang eisers daarbij hebben. Ook geldt dat naarmate eisers meer inspanningen hebben verricht om de benodigde informatie te krijgen en daarover hebben gecommuniceerd met de minister, zij eerder zullen moeten worden uitgenodigd voor een hoorzitting.
4.2.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers in bezwaar, zowel ter onderbouwing van de sociale binding als de economische binding, informatie en bewijsstukken hebben verstrekt. Eiser heeft zijn economische binding onderbouwd met een accountantsverklaring [2] , een bedrijfslicentie van [naam bedrijf] [3] , bankafschriften [4] en een eigendomsbewijs van zijn huis en bijbehorende grond [5] . Eiseres heeft als bewijs van haar economische binding een document overgelegd met de naam ‘[naam document]’ [6] . Hieruit blijkt dat zij erfgename is van haar broer. In het bezwaarschrift is voor ieder van deze documenten toegelicht wat hieruit blijkt en wat eisers hiermee willen aantonen. Zo is onder meer toegelicht dat met de door eiser overlegde documenten is beoogd te onderbouwen dat hij een filiaal leidt van de [naam bedrijf] (registratiebewijs en accountantsverklaring), dat hij daarmee een inkomen genereert van tussen de 3.000 en 4.000 USD (accountantsverklaring) en dat hij beschikt over voldoende liquide middelen om zijn bedrijf te kunnen runnen (bankafschriften). Ten aanzien van eiseres is uitvoerig toegelicht dat de overgelegde verklaring is overgelegd om aan te tonen dat zij een uitkering ontvangt. Eisers en referent hebben zich overduidelijk ingespannen om hun stellingen te onderbouwen.
4.2.2.
Uit het bestreden besluit blijkt dat minister deze onderbouwing niet voldoende vindt. Uit de conclusies van de minister blijkt echter vooral dat sprake is van vragen en onduidelijkheden. Zo stelt de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de verklaring die eiseres heeft overgelegd niet aantoont wat zij daarmee tracht te bewijzen, namelijk dat zij een pensioenuitkering ontvangt en wat de hoogte daarvan is. Hierover hadden tijdens de hoorzitting vragen kunnen worden gesteld. Hetzelfde geldt voor de documenten die door eiser zijn overgelegd. Hierover stelt de minister dat hieruit blijkt dat eiser vanuit zijn bedrijf een vast inkomen heeft van tussen de 3.000 en 4.000 USD, maar dat dit niet terug is te zien op zijn bankrekening. Er is dus meer duidelijkheid nodig om te kunnen concluderen dat eiser daadwerkelijk werkzaam is als handelaar en hieruit een regelmatig inkomen ontvangt. Eisers hebben gesteld deze duidelijkheid te kunnen bieden en zaken graag te willen toelichten in een hoorzitting. Dit is door referent ook aangeboden in het bezwaarschrift.
4.2.3.
De rechtbank stelt vast dat het goed mogelijk is dat eisers die aanvullende toelichting kunnen geven bij een hoorzitting. In beroep hebben zij al getracht de stellingen van de minister te weerleggen met een aanvullend betoog en aanvullende stukken. Zo heeft eiseres een verklaring overgelegd van het Ministry of Martyrs and Anfal affairs. [7] Hieruit blijkt dat zij daadwerkelijk een pensioenuitkering ontvangt en wat de hoogte daarvan is. Ook uit de door eiser in beroep overgelegde aanvullende documenten blijkt dat hij meer duidelijkheid kan geven over zijn economische binding. Er is een aanvullende verklaring van de accountant overgelegd (een jaarrekening [8] ) en documenten ter onderbouwing van de stelling dat belasting wordt afgedragen [9] . Ter zitting heeft de minister bevestigd dat deze documenten al meer duidelijkheid geven dan hetgeen tot in bezwaar was verstrekt. Dat deze documenten nog vragen oproepen, bijvoorbeeld waarom er geen belasting zou zijn afgedragen in het jaar 2023, maakt dit niet anders. Dit zijn immers bij uitstek vragen die eiser zelf kan beantwoorden en in een hoorzitting nader kan toelichten of verduidelijken. De conclusie van de minister, dat hij mocht afzien van het horen van eisers omdat de stukken in bezwaar zijn toegelicht en daaruit onvoldoende economische binding zou blijken, is dan ook onjuist.
4.2.4.
De rechtbank oordeelt dan ook dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. De beroepsgrond slaagt.
5. Dit oordeel maakt dat de andere beroepsgronden niet meer besproken hoeven te worden. Hierbij is van belang dat de uitkomst van de hoorzitting mogelijk van invloed is op het standpunt van de minister over het vestigingsgevaar. De rechtbank zal dan ook niet meer ingaan op hetgeen eisers naar voren hebben gebracht over het doel van het verblijf en de sociale en economische binding van eisers met Irak.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:2 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat de zaak weer in de bezwaarfase terechtkomt en dat de minister eisers alsnog moet horen. De rechtbank ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907).

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers;
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van der Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5 e.v.
2.Bijlage 5 bij het bezwaar namens eiser.
3.Bijlage 6 bij het bezwaar namens eiser.
4.Bijlage 7 en 8 bij het bezwaar namens eiser.
5.Bijlage 1 bij het bezwaar namens eiseres.
6.Bijlage 2 bij het bezwaarschrift namens eiseres.
7.Bijlage 2 bij beroepschrift.
8.Bijlage 3 bij het beroepschrift.
9.Bijlage 4 bij het beroepschrift.