ECLI:NL:RBDHA:2025:81
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens Turkse nationaliteit en onvoldoende bewijs vervolgingsgevaar
Eiser, een Syriër geboren in 1992, vroeg asiel aan in Nederland nadat hij sinds 2013 in Turkije verbleef. Hij stelde dat hij als opposant van het Syrische regime vervolgd werd en dat hij in Turkije vanwege zijn Syrische nationaliteit werd gediscrimineerd en vreest te worden uitgezet naar Syrië. Verweerder stelde dat eiser ook de Turkse nationaliteit bezit, gebaseerd op een Turks paspoort dat eiser gebruikte voor een visumaanvraag bij Duitsland.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht uitgaan van de juistheid van de informatie uit het EU-Visumsysteem en dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat zijn Turkse paspoort vals was. Ook vond de rechtbank dat de discriminatie in Turkije niet voldeed aan de criteria van vervolging volgens het Vluchtelingenverdrag en dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij door Turkije naar Syrië zal worden uitgezet.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser niet aannemelijk maakte dat hij ernstige beperkingen ondervindt die hem sociaal en maatschappelijk functioneren onmogelijk maken. De vrees voor vervolging in Syrië werd niet inhoudelijk beoordeeld omdat terugkeer naar Turkije als hoofdverblijfland geldt.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 3 januari 2025 te Middelburg.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vervolging of ernstige schade zal ondervinden bij terugkeer naar Turkije.