De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2009, omdat zij haar eigen regels stelt en onvoldoende wordt begeleid door haar ouders. Er is sprake van hoog schoolverzuim en niet-geaccepteerde hulpverlening, ondanks een lopende jeugdreclasseringsmaatregel.
De moeder en vader stemden in met het verzoek, waarbij beiden aangaven dat de problematiek nog niet duidelijk is en de minderjarige wisselend meewerkt aan dagbesteding. De minderjarige zelf gaf geen mening tijdens de zitting.
De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 BWPro is voldaan, gezien de ernstige ontwikkelingsbedreiging en het gebrek aan adequate sturing door ouders. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd tot 10 november 2025 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 10 november 2025 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/681401 / JE RK 25-404
Datum uitspraak: 29 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1.Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
[naam] , namens de gecertificeerde instelling;
de moeder;
- de vader, via een telefonische verbinding.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2.De feiten
2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 mei 2024 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 10 april 2025.
3.Het verzoek
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. De gecertificeerde instelling ziet dat er bij [de minderjarige] sprake is van een patroon waarbij ze haar eigen regels en grenzen bepaalt. De vader en de moeder zijn onvoldoende in staat om haar te ondersteunen, begeleiden en begrenzen. [de minderjarige] accepteert daarnaast de sturing van beide ouders niet waardoor ze ook niet tot ontwikkeling komt. In mei 2024 is een jeugdreclasseringsmaatregel uitgesproken vanwege het schoolverzuim van [de minderjarige] . Hierbij zijn als voorwaarden gesteld dat [de minderjarige] meewerkt aan dagbesteding, onderzoek en behandeling. [de minderjarige] is in november 2024 gestart met dagbesteding van Cardea. Daar werd gezien dat het haar onvoldoende lukt om aanwezig te zijn. Ook komt de hulpverlening van Tien voor Toekomst niet van de grond, omdat ze afspraken afzegt en de hulpverlening afhoudt. [de minderjarige] is aangemeld voor behandeling en onderzoek bij Lubec. Binnenkort vindt hiervoor een intakegesprek plaats. In dat onderzoek zal gekeken worden waardoor het [de minderjarige] niet lukt om hulpverlening te accepteren en af te ronden. De moeder staat open voor de hulpverlening vanuit Tien voor Toekomst. De gecertificeerde instelling wil de komende zes maanden onderzoeken of gewerkt kan worden naar afsluiting van de ondertoezichtstelling. Er wordt bekeken welke hulpverlening voor de moeder betrokken kan blijven in het vrijwillig kader. Daarnaast is voor [de minderjarige] de jeugdreclasseringsmaatregel nog van toepassing tot april/mei 2026. De gecertificeerde instelling verwacht dat dit voldoende is om haar de sturing en begeleiding te geven die nodig is om terug te werken naar school. De gecertificeerde instelling verzoek daarom de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden te verlengen.
4.De standpunten
4.1.
Door de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder benoemt dat ze een kleine positieve verbetering ziet bij [de minderjarige] . De moeder vindt het prettig als de jeugdbeschermer betrokken blijft. De moeder geeft aan dat [de minderjarige] geen hulpverlening zal volgen als er geen sprake is van dwang. Daarnaast maakt ze zich zorgen dat het nog steeds oneven duidelijk is wat de reden voor de problematiek van [de minderjarige] is.
4.2.
Door de vader is ingestemd met het verzochte. Hij benoemt dat [de minderjarige] wisselend aanwezig is bij de dagbesteding. Het komt voor dat ze een aantal weken structureel aanwezig is en vervolgens terugvalt en nauwelijks gaat. De vader vindt het vervelend dat de reden van haar gedrag nog onbekend is.
5.De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er is nog altijd sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . Er wordt gezien dat [de minderjarige] veilig opgroeit, maar dat ze weinig gestuurd en begeleid wordt door de vader en de moeder. Daarnaast accepteert ze het gezag van haar ouders onvoldoende om tot ontwikkeling te komen. [de minderjarige] stelt haar eigen regels en bepaalt haar eigen grenzen. Ook is er sprake van hoog schoolverzuim waarvoor een jeugdreclasseringsmaatregel is uitgesproken. De afgelopen periode heeft Tien voor Toekomst [de minderjarige] en de moeder begeleidt. De moeder werkt goed samen met de hulpverlening. [de minderjarige] staat daarentegen niet open voor hulpverlening, houdt dit af en zegt afspraken regelmatig af. [de minderjarige] geeft echter wel aan dat ze graag wil toewerken naar een zelfstandigheidstraject. [de minderjarige] is gestart met dagbesteding bij Cardea. Het lukt [de minderjarige] daar ook onvoldoende om structureel aanwezig te zijn. De reden waarom het haar alsmaar niet lukt is nog altijd onbekend. [de minderjarige] is daarom aangemeld voor behandelingen en onderzoek bij Lubec. Binnenkort zal zij hiervoor een intakegesprek hebben. [de minderjarige] is verscheidende keren uitgelegd dat ze hulpverlening moet accepteren om haar situatie in positieve zin te kunnen veranderen. Het onderzoek bij Lubec kan helpen om meer inzicht te krijgen in wat haar blokkades zijn en hoe ze hulpverlening succesvol kan afronden. Het is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] van groot belang dat hier de komende periode meer zicht op komt. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de jeugdbeschermer de komende periode nog betrokken blijft en verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van zes maanden. [1]
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 10 november 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 7 mei 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.