AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit wegens ontbreken hoofdverblijf ouders
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van haar Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3 lid 1 enPro lid 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Zij stelt dat haar vader ten tijde van haar geboorte hoofdverblijf in Nederland had en dat haar grootouders vaderszijde ook in Nederland woonden bij de geboorte van haar vader.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders van verzoekster ten tijde van haar geboorte hun hoofdverblijf in Turkije hadden en dat verzoekster zelf geboren is in Noord-Cyprus. De vader van verzoekster is in 1976 uitgeschreven uit Nederland en heeft sindsdien in Turkije gewoond, gestudeerd en gewerkt. Er is geen bewijs geleverd dat hij ten tijde van de geboorte van verzoekster hoofdverblijf in Nederland had.
De rechtbank overweegt dat volgens de RWN het kind alleen Nederlander wordt indien ten tijde van de geboorte de ouders hun hoofdverblijf in Nederland hebben. Omdat dit niet is aangetoond, kan verzoekster de Nederlandse nationaliteit niet ontlenen aan artikel 3 lid 1 ofPro lid 3 RWN. Ook andere verkrijgingsgronden zijn niet gebleken.
Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt daarom afgewezen. Tevens wordt het verzoek tot veroordeling van de IND in de proceskosten afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen wegens ontbreken van hoofdverblijf van de ouders in Nederland ten tijde van de geboorte.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 23-350
Zaaknummer: C/09/652764
Datum beschikking: 8 mei 2025
Beschikking op het op 24 juli 2023 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] ,
verzoekster,
wonende te [woonplaats] , Turkije,
advocaat: mr. I. Özkara te Arnhem.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. M.L.K. Law.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 18 augustus 2023, met bijlage, van verzoekster;
- de brief van 9 oktober 2023, met bijlage, van de IND;
- kopieën van stukken ontvangen van verzoekster, zonder begeleidend schrijven.
- een brief van 5 maart 2024, met bijlagen, van verzoekster;
- een brief van 4 juni 2024, met bijlagen, van de IND;
- een brief van 21 juni 2024 van verzoekster;
- een brief van 25 juli 2024 van de IND.
Op 10 april 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: mr. M. Djamal, waarnemend voor mr. Özkara, en mr. M.L.K. Law namens de IND. Verzoekster is niet op de zitting verschenen.
Verzoek en het standpunt van de IND
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de IND in de proceskosten.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de IND vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- De vader van verzoekster [de vader] is geboren op [datum 1] of [datum 2] 1968 te
[geboorteplaats 1] .
- De grootmoeder van verzoekster is [de grootmoeder] , geboren op [geboortedatum 1] 1944 te [geboorteplaats 2] ,
Turkije.
- De grootvader van verzoekster is [de grootvader] , geboren op [geboortedatum 1] 1940 te
Turkije.
- De grootouders zijn op [datum 3] 1965 gehuwd in Turkije.
- Ten tijde van de geboorte van de vader van verzoekster waren de grootouders
woonachtig in Nederland, hadden in Nederland de hoofdverblijfplaats en hadden
de Turkse nationaliteit.
- De vader van verzoekster is op 25 augustus 1976 uitgeschreven uit Nederland
wegens vertrek naar Turkije.
- De grootouders van verzoekster zijn bij Koninklijk Besluit van 6 mei 1998
genaturaliseerd. Omdat de vader van verzoekster op dat moment meerderjarig was,
heeft hij niet in de naturalisatie gedeeld.
- De ouders van verzoekster zijn gehuwd op [datum 4] 2003 te Turkije.
- Uit dit huwelijk is verzoekster geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats 3] , Noord-
Cyprus.
- De ouders van verzoekster hebben de Turkse nationaliteit.
- Verzoekster verkreeg bij haar geboorte door afstamming de Turkse
nationaliteit.
Beoordeling
In geschil is of verzoekster in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Verzoekster stelt dat zij als derde binnen het Koninkrijk der Nederlanden wonende generatie van rechtswege bij haar geboorte het Nederlanderschap heeft verkregen, zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 vanPro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Zij stelt daartoe dat haar vader ten tijde van haar geboorte hoofdverblijf had in Nederland en haar grootouders vaderszijde in Nederland woonden ten tijde van zijn geboorte. Verzoekster stelt verder dat haar vader nooit zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. De IND betwist de door verzoekster gestelde feiten. Volgens de IND hadden de ouders van verzoekster ten tijde van haar geboorte hoofdverblijf in Turkije en dus buiten het Koninkrijk der Nederlanden. Uit de door verzoekster overgelegde stukken kan, volgens de IND, worden afgeleid dat de vader van verzoekster sinds zijn vertrek uit Nederland in 1976 niet meer in Nederland (of binnen het Koninkrijk der Nederlanden) zijn hoofdverblijf heeft gehad. De moeder van verzoekster heeft nooit in Nederland gewoond.
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 3 RWNPro luidt, voor zover hier van belang:
"1. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.
(…)
3. Nederlander is het kind van een vader of moeder die ten tijde van de geboorte van het kind zijn of haar hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en die zelf geboren is als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn of haar geboorte in een van die landen hoofdverblijf had, mits het kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten.”
Omdat niet gebleken is dat de ouders van verzoekster de Nederlandse nationaliteit hadden ten tijde van de geboorte van verzoekster, ontleent verzoekster de Nederlandse nationaliteit niet aan artikel 3 lid 1 RWNPro.
Verzoekster kan de Nederlandse nationaliteit ook niet ontlenen aan artikel 3 lid 3 RWNPro. In de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 worden de volgende voorwaarden gemeld voor verkrijging van het Nederlanderschap via de vaderlijke lijn onder genoemd artikel:
de vader moet op het moment van de geboorte van het kind hoofdverblijf hebben binnen het Koninkrijk (Nederland, de (voormalige) Nederlandse Antillen of Aruba); én
de vader is geboren als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf had binnen het Koninkrijk; én
het pasgeboren kind heeft ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf binnen het Koninkrijk.
Voor de toepassing van dit artikellid heeft een kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf daar waar zijn beide ouders hun gewone verblijfplaats hebben. Hebben beide ouders hoofdverblijf in Nederland, dan heeft het kind eveneens hoofdverblijf in Nederland, ongeacht de plaats van geboorte. Hebben de ouders ieder een andere verblijfplaats, dan heeft het kind zijn hoofdverblijf bij de ouder die het kind verzorgt.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit dan ook niet kan ontlenen aan artikel 3 lid 3 RWNPro. Hoewel aangenomen kan worden dat de grootouders vaderszijde van verzoekster ten tijde van de geboorte van haar vader in Nederland hun hoofdverblijf hadden, hadden de ouders van verzoekster ten tijde van haar geboorte de hoofdverblijfplaats in Turkije en had verzoekster ten tijde van haar geboorte dus ook haar hoofdverblijf in Turkije. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 lid 3 enPro heeft verzoekster niet het Nederlanderschap verkregen. Evenmin is gebleken dat verzoekster anderszins de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
De rechtbank overweegt nog dat verzoekster weliswaar stelt dat haar vader nooit het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst en dat uitschrijving uit de basisregistratie in 1976 daartoe onvoldoende is, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Verzoekster heeft namelijk niet aangetoond dat de vader wel hoofdverblijf in Nederland had. Dit ligt ook niet voor de hand nu uit de stukken blijkt dat de vader van verzoekster sinds zijn vertrek naar Turkije in 1976 daar heeft gestudeerd en gewerkt, in 2006 daar is gehuwd en verzoekster in 2006 is geboren op Noord-Cyprus.
Namens verzoekster is op de zitting nog het standpunt naar voren gebracht dat aan de vader van verzoekster in 1996 een verblijfsvergunning is verleend, waaruit volgens verzoekster volgt dat haar vader toen in Nederland verbleef. De rechtbank overweegt hierover dat dit standpunt niet met stukken is onderbouwd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs al zou de vader van verzoekster in 1996 rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad, dit niets zegt over zijn hoofdverblijf op [datum 5] 2006, toen verzoekster werd geboren. En zelfs indien de vader van verzoekster hoofdverblijf had in Nederland ten tijde van haar geboorte, dan ontleent een kind, in het geval de ouders niet dezelfde verblijfplaats hebben, de hoofdverblijfplaats aan de verzorgende ouder, zoals blijkt uit de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003. Niet gebleken is dat dit de vader van verzoekster was.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek zal worden afgewezen.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M.M. Vingerling, C.S.F. de Nijs en A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2025.