Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op een aanvraag van 26 april 2024 voor een machtiging voor voorlopig verblijf. De minister had de beslistermijn van 90 dagen met drie maanden verlengd, maar ook deze verlenging is verstreken zonder besluit. Eiser verzocht de minister om binnen twee weken alsnog te beslissen, maar zonder resultaat.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Bij niet-naleving wordt een bestuurlijke dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €7.500. Omdat reeds 42 dagen zijn verstreken, wordt een dwangsom van €1.442 vastgesteld.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50, en het betaalde griffierecht van €194. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten. De uitspraak is openbaar gemaakt en bevat een verwijzing naar het beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.