De rechtbank Den Haag behandelde op 16 april 2025 het beroep van eisers tegen de maatregel van bewaring die op 3 april 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. Eisers hadden het beroep echter reeds vóór de oplegging van de maatregel ingediend. De rechtbank stelde vast dat het beroep op 3 april 2025 werd ingediend vóórdat de maatregel elektronisch was ondertekend en uitgereikt.
Volgens artikel 6:10, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan een beroep dat vóór het besluit is ingediend slechts ontvankelijk worden verklaard indien de indiener redelijkerwijs kon menen dat het besluit al was genomen. Dit was in deze zaak niet het geval. Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk.
Omdat de maatregel inmiddels was opgeheven, beperkte de rechtbank haar beoordeling tot de vraag of er sprake was van onrechtmatigheid en recht op schadevergoeding. De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af omdat de beroepen niet-ontvankelijk waren verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.