ECLI:NL:RBDHA:2025:8222
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid wegens niet-afgemaakte verbouwing en faillissement aannemer
De opdrachtgever sloot in april 2022 een aannemingsovereenkomst met een aannemersbedrijf voor de verbouwing van zijn woning. De aannemer begon in augustus 2022 met de werkzaamheden, maar staakte deze in november 2022. De opdrachtgever had al diverse betalingen gedaan, maar de aannemer ging failliet in januari 2023. De opdrachtgever stelde de bestuurder van de aannemer aansprakelijk wegens onrechtmatig handelen en stelde dat de bestuurder wist dat de aannemer haar verplichtingen niet zou nakomen.
De rechtbank oordeelde dat de procedure tegen de bestuurder voortgezet kon worden ondanks dat diens tussenholding was ontbonden. De rechtbank ging niet in op de contractuele tekortkomingen jegens de failliete aannemer zelf, maar beoordeelde de bestuurdersaansprakelijkheid. Hiervoor geldt een hoge drempel: de bestuurder moet persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt, bijvoorbeeld door te weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden.
De bestuurder had toegelicht dat de aannemer in financiële problemen kwam door conflicten met een grote klant en bedreigingen vanaf oktober 2022, waarna de werkzaamheden werden gestaakt. De rechtbank vond dat de opdrachtgever onvoldoende had onderbouwd dat de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst al wist of behoorde te weten dat de aannemer niet zou kunnen leveren. Ook de niet-bestelling van kozijnen en het ontbreken van jaarrekeningen waren onvoldoende voor aansprakelijkheid.
De rechtbank concludeerde dat de vorderingen van de opdrachtgever daarom afgewezen moesten worden en veroordeelde hem in de proceskosten van de tegenpartij.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de opdrachtgever af wegens onvoldoende bewijs van bestuurdersaansprakelijkheid.