ECLI:NL:RBDHA:2025:8394

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2025
Publicatiedatum
14 mei 2025
Zaaknummer
NL25.19150
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwArt. 20 lid 5 Dublinverordening (EU nr. 604/2013)Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 3 EVRM)
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië volgens Dublinverordening

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, diende op 1 maart 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Dit bleek uit Eurodac-gegevens waaruit bleek dat eiser op 31 juli 2023 in Kroatië een verzoek tot internationale bescherming had ingediend.

Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Kroatië niet langer geldt vanwege ernstige gebreken in de asielprocedure, opvang en de aanwezigheid van pushbacks, wat tot schending van artikel 3 EVRM Pro zou leiden. Hij stelde dat hij in Kroatië slechts onder dwang vingerafdrukken had afgegeven en geen asielaanvraag had ingediend.

De rechtbank oordeelde dat Kroatië op grond van de Eurodac-verordening verantwoordelijk is en dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit standpunt in een uitspraak van 9 oktober 2024. De door eiser aangevoerde rapporten en eerdere uitspraken boden geen aanleiding tot ander oordeel.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 12 mei 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19150

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 24 april 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1993. Eiser heeft op 1 maart 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 31 juli 2023 in Kroatië een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 20 maart 2025 een terugnameverzoek gestuurd naar de Kroatische autoriteiten. Het terugnameverzoek is op 29 maart 2025 door Kroatië aanvaard. [3]
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er is sprake van ernstige gebreken in de asielprocedure en de opvang in Kroatië. Daarnaast vinden er op grote schaal pushbacks plaats. Overdracht aan Kroatië leidt tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [4] Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar passages uit rapporten [5] en naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2024. [6] Eiser heeft in Kroatië enkel vingerafdrukken afgestaan onder dwang en daar geen asielaanvraag ingediend. Dit is onvoldoende om te stellen dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Dublin-lidstaten zijn op grond van de Eurodac-verordening verplicht om illegale vreemdelingen die het grondgebied van de lidstaten binnenkomen te registreren. Voor zover eiser van mening is dat de Kroatische autoriteiten onrechtmatig hebben gehandeld, of hem verkeerd of onjuist hebben geïnformeerd over de gevolgen van het afgeven van vingerafdrukken, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de (hogere) Kroatische autoriteiten voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Verweerder gaat er, gelet op de bevindingen vanuit Eurodac, dan ook terecht van uit dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In zijn algemeenheid mag verweerder hierbij uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dat in zijn geval niet zo is. Eiser is daarin niet geslaagd.
6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 [7] bevestigd dat in het geval van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn dat Dublinclaimanten zoals eiser in Kroatië te maken hebben met pushbacks. De door eiser overgelegde stukken leiden evenmin tot een ander oordeel. De door eiser overgelegde stukken dateren van voor de uitspraak van de Afdeling en bovendien blijkt niet dat de informatie uit die rapporten ook van toepassing is op Dublinclaimanten. Verweerder heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden dan ook geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te verrichten. Het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam kan evenmin slagen, nu deze uitspraak is vernietigd door de Afdeling in voorgenoemde uitspraak. Eiser zal in het kader van de Dublinverordening gereguleerd worden overgedragen en verweerder mag ervan uitgaan dat eisers asielaanvraag in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verplichtingen.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU nr. 604/2013).
3.Op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
4.Het Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
5.Rapport van the Border Violence Monitoring Network van maart 2023, rapport van US Department of State van 23 april 2024 en het AIDA-rapport van 10 juli 2024.