ECLI:NL:RBDHA:2025:8402
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen intrekking verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wegens te late beroepsgronden
Eiser stelde beroep in tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'studie'. De minister had de vergunning ingetrokken omdat eiser niet langer aan de voorwaarden voldeed. De rechtbank stelde vast dat het ingediende beroep geen beroepsgronden bevatte en gaf eiser een termijn tot 2 januari 2025 om deze alsnog in te dienen.
Eiser diende de beroepsgronden pas op 6 januari 2025 in, na de gestelde termijn. De gemachtigde voerde technische problemen aan met de advocatenpas en beperkte bereikbaarheid van ICT-diensten als reden voor de vertraging. De rechtbank oordeelde dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, omdat onvoldoende bewijs werd geleverd van een daadwerkelijke storing en de beroepsgronden niet op de juiste wijze digitaal waren ingediend.
De rechtbank overwoog verder dat het belang van eiser bij inhoudelijke behandeling en de beperkte aard van de overschrijding niet tot ontvankelijkheid leidden. Ook was niet gesteld dat niet-ontvankelijkheid zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van beroepsgronden zonder verschoonbare reden.