ECLI:NL:RBDHA:2025:8461
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen afwijzing verblijfsvergunning arbeid niet tijdig ingediend
Eiser heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als doel arbeid ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie op 10 februari 2024 is afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend dat volgens verweerder niet tijdig was ingediend. Verweerder verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk bij besluit van 15 april 2024.
Eiser stelde dat het bezwaarschrift binnen zes weken was ingediend, conform artikel 6:7 van Pro de Awb, en dat elektronische indiening geoorloofd was. Verweerder stelde dat de termijn vier weken bedroeg op grond van artikel 69 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en dat bezwaarschriften enkel per post mochten worden ingediend. Het bezwaarschrift werd elektronisch ontvangen op 13 maart 2024 en per post op 25 maart 2024, terwijl de termijn op 12 maart 2024 afliep.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke termijn van vier weken geldt en dat het bezwaarschrift derhalve niet tijdig is ingediend. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar omdat eiser geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die dit rechtvaardigen. Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift wordt ongegrond verklaard wegens termijnoverschrijding.