ECLI:NL:RBDHA:2025:8468
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens reeds verblijf in Nederland
Eiseres, geboren in 2021, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij haar moeder in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres al in Nederland verbleef en de moeder niet voldeed aan het middelenvereiste. Het bezwaar van eiseres werd eveneens afgewezen.
Eiseres betoogde dat de minister had moeten afwijken van het beleid omdat zij geen alternatief had dan naar haar moeder te verhuizen, en dat haar vader in Duitsland geen geschikte woonruimte meer had. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht de aanvraag mocht afwijzen op grond van het feit dat eiseres al in Nederland verbleef.
De rechtbank benadrukte dat eiseres de mogelijkheid heeft om een verblijfsvergunning in Nederland aan te vragen en vrijstelling van het mvv-vereiste te verzoeken. De overige beroepsgronden behoefden geen bespreking meer omdat de afwijzing op de hoofdgrond standhield.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de afwijzing van de aanvraag bleef in stand en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding noch teruggaaf van griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag omdat eiseres al in Nederland verblijft.