ECLI:NL:RBDHA:2025:8478
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Nigeria wegens ontbreken reëel risico EVRM art. 3 schending
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen uitzetting naar Nigeria en verzocht om een voorlopige voorziening om deze uitzetting op te schorten. De voorzieningenrechter beoordeelde of onverwijlde spoed een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
Het asielbesluit en het besluit tot intrekking van de B8-vergunning staan in rechte vast, waardoor de bevoegdheid tot uitzetting onbetwist is. Verzoeker stelde dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege bedreigingen en medische problemen. Deze stellingen werden niet onderbouwd met voldoende bewijs of medische stukken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de situatie niet zodanig is gewijzigd dat de rechtmatigheid van de uitzetting in twijfel kan worden getrokken. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Bahaddar van het EHRM. Ook was het niet noodzakelijk dat verweerder een advies van het Bureau Medische Advisering of een fit-to-fly-verklaring opvroeg.
Daarom is het bezwaar niet kansrijk en is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De uitzetting kan doorgaan, tenzij zich een wijziging in de gezondheidstoestand voordoet die een medische reisbelemmering oplevert.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Nigeria wordt afgewezen wegens ontbreken van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM.