Eiser maakte bezwaar tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op 20 maart 2025. De rechtbank had deze maatregel eerder beoordeeld en geoordeeld dat deze tot 2 april 2025 rechtmatig was. Na het sluiten van dat onderzoek stelde de rechtbank vast dat de maatregel vanaf 10 april 2025 onrechtmatig was voortgezet, omdat verweerder nagelaten had de bewaring binnen 48 uur om te zetten na het vervallen van de rechtmatige grondslag.
De aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning werd op 7 april 2025 afgewezen, waarbij tevens werd bepaald dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had en niet in Nederland mocht blijven wachten op bezwaar of voorlopige voorziening. Verweerder had de bewaring uiterlijk op 9 april 2025 moeten omzetten, maar deed dit pas op 10 april 2025, waardoor de bewaring onrechtmatig voortduurde.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende een schadevergoeding toe van €100,- voor de dag dat de bewaring onrechtmatig was. De maatregel was inmiddels opgeheven, zodat opheffing niet meer aan de orde was. Daarnaast werden de proceskosten van eiser vastgesteld op €907,- en aan verweerder opgelegd.