ECLI:NL:RBDHA:2025:8593

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
16 mei 2025
Zaaknummer
NL25.3360
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 VwArt. 4:5 AwbArt. 3.34 VVArt. 3.46 VVArt. 16 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen buitenbehandelingstelling aanvraag verblijfsvergunning medische behandeling wegens niet-betaling leges

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om haar aanvraag van 27 oktober 2022 voor een verblijfsvergunning regulier voor medische behandeling buiten behandeling te stellen wegens het niet betalen van de verschuldigde leges. De minister handhaafde dit besluit na bezwaar.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde van ten minste een jaar rechtmatig verblijf voorafgaand aan de aanvraag, zoals vereist op grond van artikel 8, onder j, van de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor is de aanvraag niet legesvrij en was de buitenbehandelingstelling terecht. De door eiseres aangevoerde omstandigheden, waaronder de langdurige procedure rond artikel 64 Vw Pro en de medische noodsituatie, leiden niet tot een ander oordeel.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het besluit te vernietigen en wijst het beroep af. Tevens is het horen van eiseres achterwege gelaten omdat redelijkerwijs geen andersluidend besluit te verwachten was. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld wegens niet-betaling van leges.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3360

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,
van Zimbabwaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.H. Zagers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de buitenbehandelingstelling van haar aanvraag van 27 oktober 2022 om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘medische behandeling’.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 december 2022 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025, samen met zaaknummer NL23.1458, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Een tolk was aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de buitenbehandelingstelling van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘medische behandeling’. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.1.
Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
4. Op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vw [1] , voor zover van belang, is de vreemdeling in bepaalde gevallen leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Artikel 4:5, vierde lid, van de Awb [2] is niet van toepassing.
4.1.
Artikel 3.34, aanhef en onder p, kolom II, van het VV [3] bepaalt dat vreemdelingen ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘medische behandeling’ leges zijn verschuldigd. De leges waren in 2022 € 0 in het kader van ‘medische behandeling’ als bedoeld in artikel 3.46, vierde lid, van het Vb [4] en in de overige gevallen € 1.109,-.
4.2.
Artikel 3.46, vierde lid, van het Vb bepaalt dat de aanvraag van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met het ondergaan van een medische behandeling niet wordt afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder k, van de Vw. De aanvraag wordt evenmin afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c en evenmin op het feit dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien de vreemdeling ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, van de Vw heeft gehad.
Bestreden besluit
5. De minister heeft de aanvraag van eiseres op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vw niet in behandeling genomen, omdat zij de verschuldigde leges van € 1.109,- niet heeft betaald. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de door eiseres ingediende aanvraag niet legesvrij is op grond van artikel 3.34, aanhef en onder p, kolom II (verlening of wijziging), van het VV in samenhang met artikel 3.46, vierde lid, van het Vb. Niet gebleken is dat eiseres ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag van 27 oktober 2022 rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw (uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro) heeft gehad. Er is afgezien van het horen van eiseres.
Verwijzing naar bezwaarschrift en daarin aangehaalde uitspraken als herhaald en ingelast
6. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen wat eiseres eerder in bezwaar naar voren heeft gebracht over de door haar verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zonder een nadere motivering waarom er een beroep wordt gedaan op deze uitspraken, is onvoldoende nu de rechtbank daaruit niet kan afleiden waarom eiseres van mening is dat deze uitspraken specifiek op haar situatie van toepassing zijn. De rechtbank ziet daarin daarom geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.
Wat vindt eiseres?
7. Eiseres kan zich niet vinden in het bestreden besluit. Kort samengevat stelt eiseres, voor zover van belang, dat de artikel 64 Vw Pro-procedure al heel lang duurt en dat de uitkomst daarvan nog steeds onduidelijk is. Eiseres stelt dat de leges niet verschuldigd zijn vanwege de (gerechtvaardigde) aanspraak op uitstel van vertrek nu die procedure al lang loopt. De minister kan niet met recht (blijven) stellen dat eiseres niet aan artikel 64 Vw Pro enige rechten kan ontlenen, nu in de verschillende adviezen van het BMA [5] steeds is geconcludeerd dat er op korte termijn een medische noodsituatie ontstaat bij het uitblijven van behandeling. Volgens eiseres is dit nu meer dan vier jaar aan de orde. Eiseres stelt dat de kern van de zaak is of de medische behandeling voor haar in Zimbabwe toegankelijk is en was. In dat verband is dan weer (mede) belang hoe zal worden beslist op de herhaalde asielaanvraag van eiseres die al was ingediend op het moment dat de hoorzitting in de artikel 64 Vw Pro-procedure plaatsvond. Eiseres stelt dat zodra de herhaalde asielaanvraag wordt afgewezen een discussie kan plaatsvinden of de medische behandeling voor haar in Zimbabwe toegankelijk is en of er (los van de asielzaak) een risico bestaat op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [6]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. Deze beroepsgronden kunnen niet slagen. Niet in geschil is dat eiseres bij haar aanvraag geen leges heeft betaald. In het geval aan eiseres gedurende een jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro zou zijn verleend, zouden geen leges verschuldigd zijn voor een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘medische behandeling’. Dit volgt uit de onder de 4.1. vermelde bepalingen. De minister heeft bij besluit van 17 maart 2021 aan eiseres, in afwachting van een beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 Vw Pro, voorlopig uitstel van vertrek verleend van
17 maart 2021 tot uiterlijk 17 september 2021, dus voor de duur van zes maanden. In het besluit van 3 september 2021 is besloten niet over te gaan tot toepassing van artikel 64 Vw Pro, waartegen bezwaar is gemaakt. Op 17 januari 2023 is het verzoek van eiseres tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, inhoudende dat uitzetting van eiseres achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist. [7] In navolging van de minister stelt de rechtbank vast dat er op het moment van indienen van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘medische behandeling’ op 27 oktober 2022 geen jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro was verleend. Eiseres kon dus niet op die grond vrijgesteld worden van het legesvereiste. Het aan eiseres voorlopig verleende uitstel van vertrek voor de duur van zes maanden is met het afwijzende besluit van 3 september 2021 geëindigd. De rechtbank ziet, in navolging van de minister, geen grondslag om rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op de aanvraag om medische gronden, of rechtmatig verblijf hangende een procedure [8] gelijk te stellen aan de periode van rechtmatig verblijf die eiseres bij uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw zou hebben gehad. Dat de artikel 64 Vw Pro-procedure lang duurt en dat eiseres een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend kan ook niet tot een ander oordeel leiden, nu de uitkomst van die procedures nog onzeker is. Bovendien is de situatie op 22 oktober 2022 bepalend voor de vraag of leges verschuldigd zijn. Hetgeen eiseres
overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
8.1.
Ten aanzien van het beroep van eiseres op schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Awb mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat de minister van het horen van eiseres heeft mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De minister heeft de aanvraag terecht niet in behandeling genomen. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Voorschrift Vreemdelingen 2000.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Bureau Medische Advisering.
6.Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
7.NL21.18347.
8.Als bedoeld in artikel 8, sub f, Vw.