ECLI:NL:RBDHA:2025:8594

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
16 mei 2025
Zaaknummer
NL23.1458
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen buitenbehandelingstelling verblijfsvergunning medische behandeling

Verzoekster, van Zimbabwaanse nationaliteit, had op 27 oktober 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel medische behandeling. De minister stelde deze aanvraag op 20 december 2022 buiten behandeling. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de minister handhaafde de buitenbehandelingstelling in het besluit van 21 januari 2025.

Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit bij de rechtbank en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 7 april 2025 samen met de hoofdzaak (zaaknummer NL25.3360). Op diezelfde dag deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak.

Omdat de hoofdzaak inmiddels is beslist, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de buitenbehandelingstelling van de verblijfsvergunningaanvraag is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1458

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoekster,

geboren op [geboortedatum] ,
van Zimbabwaanse nationaliteit,
V-nummer: 289.3720.391,
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en

de Minister van Asiel en Migratie.

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de buitenbehandelingstelling van haar aanvraag van 27 oktober 2022 om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘medische behandeling’.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 december 2022 buiten behandeling gesteld. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek, op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met zaaknummer NL25.3360, op 7 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Een tolk was aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.3360, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3.1.
Dat betekent dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.