Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:8610

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 mei 2025
Publicatiedatum
16 mei 2025
Zaaknummer
NL25.19720
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet wegens weigering medewerking overdracht Dublin

De rechtbank Den Haag heeft op 16 mei 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser, van Syrische nationaliteit, beroep instelde tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd omdat er een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht naar Kroatië volgens de Dublinverordening en er een significant risico was dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser betwistte de zware gronden 3f (ontdoen van reis- of identiteitsdocumenten zonder noodzaak) en 3k (weigering medewerking aan overdracht), maar de rechtbank oordeelde dat de motivering van de minister toereikend was en dat eiser herhaaldelijk had aangegeven niet mee te willen werken aan zijn overdracht, ondanks eerdere overdrachten en terugkeer naar Nederland. De overige gronden werden niet betwist en waren terecht tegengeworpen.

De rechtbank concludeerde dat de bewaring rechtmatig was en dat een lichter middel niet effectief zou zijn, mede gezien het feit dat eiser al tweemaal was overgedragen en telkens terugkeerde. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19720

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).

Inleiding

1. Bij besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Hij is ter zitting in Groningen bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
3.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Er is immers op 5 maart 2025 een claimakkoord ontvangen van de Kroatische autoriteiten.
Gronden
6. Ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan een Dublinclaimant, vanwege een significant risico op onderduiken, in bewaring worden gesteld als er sprake is van twee gronden uit de limitatieve opsomming, waarvan tenminste één zware grond.
6.1.
Eiser heeft de zware gronden 3f en 3k betwist en zich voor de overige gronden gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Over de grond 3f voert hij aan dat in het besluit weliswaar een motivering voor deze grond wordt gegeven, maar dat de grond zelf niet expliciet wordt benoemd. Over grond 3k voert hij aan dat eiser al twee keer zijn medewerking heeft verleend aan de overdracht naar Kroatië. Dat hij daarna direct weer naar Nederland is teruggekeerd doet daar niet aan af.
6.2.
Het verweer tegen grond 3f mist feitelijke grondslag. In de maatregel van bewaring staan op pagina 1 de zware en lichte gronden benoemd, waarbij ook expliciet de grond wordt vermeld “dat de vreemdeling zich zonder noodzaak heeft ontdaan van de reis- of identiteitsdocumenten” (grond 3f). Vervolgens volgt de - niet bestreden - onderbouwing van de grond op pagina 4 van de maatregel. Met betrekking tot de grond 3k stelt de rechtbank vast dat eiser bij herhaling heeft aangegeven niet naar Kroatië te willen en niet te zullen meewerken aan zijn vertrek. Dat hij volhardt in die opstelling blijkt bovendien uit het feit dat hij na eerdere overdrachten weer is teruggekeerd naar Nederland. Die eerdere overdrachten zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank geen indicatie dat hij vrijwillig zal meewerken aan zijn overdracht.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de gronden 3a, 3f, 3k, 4c en 4d terecht door de minister aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en vormen ook voldoende onderbouwing voor het standpunt van de minister dat er een significant risico op onderduiken bestaat en dat eiser de voorbereiding van de Dublinoverdracht ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de overdracht van eiser te verzekeren. Dat blijkt in het bijzonder uit de omstandigheid dat eiser al tweemaal eerder is overgedragen aan Kroatië en direct weer is teruggekeerd naar Nederland. Eiser heeft ook geen persoonlijke of medische omstandigheden aangevoerd die nopen tot toepassing van een lichter middel.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
8. Op 31 maart 2025 is de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen vanwege de verantwoordelijkheid van Kroatië. Dit is tevens een overdrachtsbesluit. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is op 7 mei 2025 door de rechtbank ongegrond verklaard en de gevraagde voorlopige voorziening is afgewezen, zodat eiser nu kan worden overgedragen.
9. Nu eiser onder de Dublingrondslag valt, de minister voortvarend aan de overdracht werkt en de rechtbank anderzijds geen aanknopingspunten heeft dat gedurende de inbewaringstelling reeds duidelijk was dat overdracht uiteindelijk niet zou plaatsvinden, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat zicht op overdracht ontbreekt.

Conclusie en gevolgen

10. Concluderend is de rechtbank niet gebleken is dat een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van de opgelegde bewaringsmaatregel niet is nageleefd. Wat eiser verder naar voren heeft gebracht, geeft ook geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Ruijter, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.