ECLI:NL:RBDHA:2025:8647
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen buitenlandbijdrage op grond van Zorgverzekeringswet
Eiser, woonachtig in België en ontvanger van AOW en pensioen, werd door het CAK per 16 mei 2021 als verdragsgerechtigde aangemerkt op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en werd een buitenlandbijdrage opgelegd. Eiser betwistte deze kwalificatie en stelde dat hij als gezinslid van zijn in België werkzame echtgenote sinds 2011 meeverzekerd was en daarom geen bijdrage verschuldigd zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat eiser op grond van artikel 24 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004 een zelfstandig recht op verstrekkingen in België heeft, ten laste van Nederland, omdat hij AOW en pensioen ontvangt vanuit Nederland. Het feit dat zijn echtgenote in België werkt en hij als gezinslid meeverzekerd zou zijn, doet hieraan niet af, omdat het zelfstandige recht van eiser voorrang heeft op het afgeleide recht van zijn echtgenote.
De rechtbank concludeerde dat het CAK terecht heeft vastgesteld dat eiser verdragsgerechtigd is en een buitenlandbijdrage verschuldigd is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit van het CAK is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.