Verzoekster diende op 18 september 2023 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 21 januari 2023 om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank verklaarde dit beroep op 23 januari 2024 gegrond en stelde een termijn van twee weken voor het nemen van een besluit, met een dwangsom bij overschrijding.
Verweerder nam echter niet binnen deze termijn een besluit, waarna verzoekster op 4 december 2024 opnieuw beroep instelde wegens het uitblijven van een beslissing. Uiteindelijk werd de aanvraag op 26 februari 2025 ingewilligd. Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet binnen de gestelde termijn had beslist en dat het beroep daarom gegrond was. Op grond van artikel 8:75a Awb veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op €453,50, omdat verweerder geheel aan het beroep tegemoet was gekomen.