ECLI:NL:RBDHA:2025:8681
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar verblijfsvergunning regulier
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 november 2024 waarin is bepaald dat zij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tegelijkertijd verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden zoals misbruik van recht en het ontbreken van correcte indieningsvereisten, voorbij aan de formele vereisten. Verzoekster maakte onvoldoende duidelijk welke voorlopige voorziening zij precies vraagt, maar het verzoek werd geïnterpreteerd als een opschorting van de uitzettingsmaatregel.
Verzoekster voerde een beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije, maar leverde geen onderbouwing en maakte geen gebruik van de mogelijkheid om haar gronden aan te vullen. Hierdoor werd het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. Ook het bezwaar tegen het primaire besluit werd ongegrond verklaard, mede omdat geen enkele twijfel bestond over de uitkomst van het bezwaar. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.