ECLI:NL:RBDHA:2025:8683
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 oktober 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden waaronder misbruik van recht en gebrekkige communicatie in een cluster van vergelijkbare zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte geen expliciete voorlopige voorziening kenbaar, waardoor werd aangenomen dat het verzoek betrekking had op opschorting van de terugkeer.
Verzoeker voerde zonder onderbouwing aan dat hij onder het associatierecht tussen de EU en Turkije viel en bood aan de aanvraag alsnog compleet te maken. Dit werd onvoldoende geacht om het bezwaar kansrijk te maken. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaarde het bezwaar ongegrond, mede gelet op artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.