ECLI:NL:RBDHA:2025:8684
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning regulier
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag op 15 mei 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening en een bezwaar tegen een besluit van 30 oktober 2024. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen de weigering van een reguliere verblijfsvergunning door de minister van Asiel en Migratie.
De voorzieningenrechter heeft zonder zitting geoordeeld dat, ondanks het ontbreken van volledige indieningsvereisten en de aanwezigheid van uitzonderlijke omstandigheden, het verzoek inhoudelijk beoordeeld kon worden. De uitzonderlijke omstandigheden betroffen een cluster van vergelijkbare zaken met vermoedelijk misbruik van recht door verzoekers die onjuiste postadressen opgaven.
Verzoeker had niet duidelijk gemaakt welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van het terugkeerbesluit naar Turkije. Het beroep op het associatierecht werd onvoldoende onderbouwd en de mogelijkheid tot aanvulling van gronden werd niet benut. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond afgewezen.
Gezien de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar en het ontbreken van enige kans op succes werd het bezwaar eveneens ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen de weigering van een reguliere verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.