ECLI:NL:RBDHA:2025:8686
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning regulier
In deze zaak heeft de verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 oktober 2024 waarin werd bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en vermoedens van misbruik van recht, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening hij precies vroeg, maar het werd aangenomen dat het ging om opschorting van de terugkeerplicht.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije onvoldoende onderbouwd was en dat de bereidheid tot aanvulling van de aanvraag niet tot een kansrijke zaak leidt. Verzoeker maakte geen gebruik van de gelegenheid om zijn gronden aan te vullen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.