ECLI:NL:RBDHA:2025:8715
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 januari 2025 waarin hij werd geweigerd voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de uitzetting naar Turkije te voorkomen. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en vermoedelijk misbruik van recht, voorbij aan de indieningsvereisten.
Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeerplicht. Verzoeker stelde zich op het standpunt dat hij onder het associatierecht tussen de EU en Turkije valt, maar leverde geen onderbouwing en maakte geen gebruik van de gelegenheid tot aanvulling. Hierdoor werd het verzoek kennelijk ongegrond afgewezen.
Gezien de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening en het ontbreken van enige kans van slagen van het bezwaar, verklaarde de voorzieningenrechter het bezwaar ongegrond met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.