Eisers, afkomstig uit Tadzjikistan en politiek actief geweest, vroegen asiel aan in Nederland. De minister wees hun aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van een reëel risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer. Eisers gingen in beroep en werden aanvullend gehoord. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde bewijsstukken, zoals een brief van de Tadschikische Gesellschaft Nur, niet zijn meegewogen. Hierdoor is het beroep gegrond verklaard en zijn de besluiten vernietigd.
Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de besluiten in stand, omdat de aanvullende motivering van de minister in het verweerschrift en tijdens de zitting voldoende is om het gebrek te herstellen. De rechtbank concludeert dat eisers geen verblijfsvergunning asiel krijgen, omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in negatieve aandacht staan van de autoriteiten of een reëel risico lopen op ernstige schendingen.
De rechtbank behandelt uitgebreid de geloofwaardigheid van het asielrelaas, waaronder de politieke activiteiten van eiser, de omstandigheden van onderduiken, oproepen door politie, en documenten zoals overlijdensakte en verklaringen van derden. Ook wordt ingegaan op de regio Gorno-Badakhshan en de politieke situatie aldaar. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de meeste bezwaren heeft verworpen en dat het beroep slechts deels slaagt op procedurele gronden.
De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten aan eisers. De uitspraak is gedaan door rechter Hanssen-Telman en griffier Derks en is openbaar gemaakt op 19 mei 2025. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.