ECLI:NL:RBDHA:2025:8757

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
20 mei 2025
Zaaknummer
NL24.43747
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 Algemene wet bestuursrechtArt. 62a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod afgewezen door rechtbank Den Haag

Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende persoon, is geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar omdat hij zijn rechtmatig verblijf na overschrijding van zijn Schengenvisum niet kon aantonen.

Eiser erkent het terugkeerbesluit, maar betwist de motivering en duur van het inreisverbod, verwijzend naar zijn import- en exportbedrijf en frequente reizen tussen Egypte en Nederland. Hij stelt dat het inreisverbod hem grote financiële problemen bezorgt.

De rechtbank stelt vast dat de gronden voor het terugkeerbesluit niet in geschil zijn en dat verweerder terecht een inreisverbod heeft opgelegd. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom het inreisverbod niet kon worden beperkt, mede omdat eiser geen familie in Nederland heeft en niet kan werken.

De niet-onderbouwde stellingen van eiser over zijn zakelijke activiteiten en samenwerkingsplannen met Nederlandse bedrijven leiden niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit en inreisverbod blijven van kracht.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar is ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43747

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod (hierna: het bestreden besluit).
1.1.
Met het bestreden besluit van 5 november 2024 heeft verweerder eiser een
terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod voor de duur van 2 jaar tegen hem uitgevaardigd.
1.2.
Eiser heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.3.
Verweerder heeft op 24 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en heeft
gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1980 en de Egyptische nationaliteit te
hebben. Verweerder heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod [2] voor de duur van twee jaar tegen hem uitgevaardigd, omdat eiser geen rechtmatig verblijf heeft sinds hij de vrije termijn van zijn Schengenvisum heeft overschreden.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser begrijpt dat in het terugkeerbesluit is overwogen dat hij moet terugkeren en heeft hier geen bezwaren tegen. Verweerder had kunnen volstaan met een terugkeerbesluit en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom een inreisverbod is opgelegd en waarom dit geldt voor de duur van twee jaar. Eiser heeft een import- en exportbedrijf en is in de afgelopen jaren vaak heen en weer gereisd tussen Egypte en Nederland. Gezien deze bedrijfsbelangen brengt een inreisverbod eiser in grote (financiële) problemen. Het terugkeerbesluit en inreisverbod moeten dan ook worden vernietigd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Allereerst wordt overwogen dat de gronden die door verweerder aan het terugkeerbesluit ten grondslag zijn gelegd niet in geschil zijn. Daarom moet ervan uit worden gegaan dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat eiser het grondgebied van de Europese Unie, de EER en Zwitserland onmiddellijk moet verlaten.
5. In het terugkeerbesluit van 5 november 2024 heeft verweerder eiser een onmiddellijke vertrektermijn opgelegd. Op grond van artikel 66a, eerste lid onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kon verweerder een inreisverbod aan eiser opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom in dit geval daarvan niet hoefde te worden afgezien. Verweerder hoefde ook geen inreisverbod voor kortere duur op te leggen. In dit verband is van belang dat eiser tijdens het gehoor op
5 november 2024 heeft aangegeven dat hij geen familieleden heeft in Nederland en niet kan werken. Verweerder heeft er dus terecht op gewezen dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van het inreisverbod. Omdat eiser eerst in beroep heeft gesteld dat hij voor zijn import- en exportbedrijf heen en weer reist tussen Egypte en Nederland en dat hij een partnerschap en concrete plannen heeft om samen te werken met Nederlandse bedrijven en deze stellingen niet heeft onderbouwd, kan dat niet tot een ander oordeel leiden.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond en het opgelegde
terugkeerbesluit en het uitgevaardigde inreisverbod blijven in stand.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 62a, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000.