ECLI:NL:RBDHA:2025:8774
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Asiel en Migratie op 30 oktober 2024 besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en misbruik van recht in een cluster van vergelijkbare zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als een verzoek tot opschorting van de uitzetting naar Turkije.
Verzoeker voerde een beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije aan, maar zonder onderbouwing of aanvulling op de aanvraag. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar geen kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens verklaarde hij het bezwaar ongegrond met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.