ECLI:NL:RBDHA:2025:8778
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 10 januari 2025 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en vermoedelijk misbruik van recht binnen een cluster van soortgelijke zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeer.
Verzoeker voerde zonder onderbouwing aan dat hij onder het associatierecht tussen de EU en Turkije valt en bood een incomplete aanvraag aan om alsnog aan te vullen. Dit werd onvoldoende geacht om het bezwaar kansrijk te maken. Verzoeker maakte geen gebruik van de gelegenheid om zijn gronden aan te vullen.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond af en verklaarde het bezwaar ongegrond met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.