ECLI:NL:RBDHA:2025:878
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ophouding vreemdeling op juiste wettelijke grondslag ongegrond verklaard
Eiser, een Kazachse vreemdeling, werd op 14 januari 2025 opgehouden door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM). De ophouding vond aanvankelijk plaats op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser geen originele identificerende documenten kon tonen. Na overbrenging naar het politiebureau bleek dat er een origineel paspoort uit 2017 beschikbaar was, waarna de ophouding werd voortgezet op grond van artikel 50, derde lid, van dezelfde wet.
Eiser voerde aan dat de vermelding van twee verschillende wettelijke grondslagen in het dossier onzorgvuldig was en dat hij daarom recht had op een schadevergoeding voor de tijd dat hij onterecht was opgehouden. De rechtbank oordeelde echter dat de vermelding van beide grondslagen begrijpelijk en terecht was, gezien de feitelijke omstandigheden en het tijdstip waarop de identiteit kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en hoger beroep of verzet is niet mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.