ECLI:NL:RBDHA:2025:8782
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 oktober 2024 waarin werd bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de uitzetting naar Turkije te voorkomen.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en vermoedens van misbruik van recht binnen een cluster van soortgelijke zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van de uitzetting.
Verzoeker voerde een beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije zonder enige onderbouwing en gaf geen aanvullende gronden ondanks gelegenheid daartoe. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar geen kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af als kennelijk ongegrond. Het bezwaar werd eveneens ongegrond verklaard op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.