ECLI:NL:RBDHA:2025:8796
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 5 november 2024 waarin werd bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, gezien uitzonderlijke omstandigheden en vermoedens van misbruik van recht, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van het terugkeerbesluit.
Verzoeker voerde zonder onderbouwing aan dat hij onder het associatierecht tussen de EU en Turkije valt en bood een incomplete aanvraag aan om alsnog aan te vullen. Dit werd onvoldoende geacht om het bezwaar kansrijk te maken. Verzoeker kreeg de gelegenheid tot aanvulling, maar maakte hier geen gebruik van.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaarde het bezwaar ongegrond, mede op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard.