Eiseres, een Ghanese minderjarige, werd op 5 februari 2025 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in het kader van grensbewaking. De minister stelde dat sprake was van een significant risico dat eiseres zich aan toezicht zou onttrekken, onderbouwd met drie gronden: een zware grond (niet op voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen) en twee lichte gronden (geen vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan).
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende motivering gaf voor de lichte gronden 4c en 4d. De toelichting was gestandaardiseerd en niet toegespitst op eiseres, waarbij zelfs sprake was van een verkeerde geslachtsaanduiding. De motivering over het ontbreken van middelen van bestaan was onvoldoende onderbouwd en mocht niet achteraf worden aangevuld. Hierdoor resteerde slechts één grond, terwijl ten minste twee gronden vereist zijn voor het aannemen van een significant onttrekkingsrisico.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat de maatregel vanaf het moment van opleggen onrechtmatig was. De vrijheidsontnemende maatregel werd per 28 februari 2025 opgeheven. Tevens werd een schadevergoeding van € 2.400,- toegekend voor 24 dagen onrechtmatige detentie en de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 1.814,-. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.