ECLI:NL:RBDHA:2025:8807

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
20 mei 2025
Zaaknummer
C/09/661262 / FA RK 24-1033
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:252 BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging eenhoofdig gezag en zorgregeling voor minderjarige wegens mishandeling en gezagsconflict

Partijen zijn ouders van de minderjarige [minderjarige 1], geboren in 2014, die momenteel bij de moeder verblijft. Eerder was gezamenlijk gezag vastgesteld met een zorgregeling waarbij de vader het kind om het weekend en de helft van vakanties zag. De moeder verzoekt wijziging van het gezag naar eenhoofdig gezag en aanpassing van de zorgregeling vanwege mishandeling door de partner van de vader en problemen in de omgang.

De rechtbank constateert dat de mishandeling in 2021 en 2022 heeft geleid tot nachtmerries en hulpverlening voor het kind. De vader woont bij zijn partner die het kind mishandeld heeft, waardoor het kind weigert te overnachten bij de vader. De ouders hebben op zitting een nieuwe zorgregeling afgesproken: contact op zaterdag van 11.00 tot 18.00 uur in Den Haag zonder aanwezigheid van de partner van de vader.

De rechtbank oordeelt dat het gezamenlijk gezag niet goed functioneert omdat de vader weigert toestemming te geven voor schoolzaken en identiteitskaart, wat het belang van het kind schaadt. De vader heeft zijn gezag misbruikt en de moeder tegengewerkt. Daarom wijzigt de rechtbank het gezag naar eenhoofdig gezag voor de moeder. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het overige wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt het gezag naar eenhoofdig gezag voor de moeder en past de zorgregeling aan met contact op zaterdag zonder aanwezigheid van de partner van de vader.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-1033
Zaaknummer: C/09/661262
Datum beschikking: 25 april 2025

Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang

Beschikking op het op 6 februari 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Ahmadi te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 2 april 2024 is, met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 24 november 2020, voor zover hier relevant, de door de vader met ingang van 1 januari 2024 te betalen kinderalimentatie op € 400,- per maand bepaald, en is de behandeling van het verzoek tot wijziging van het gezag en de zorgregeling pro forma aangehouden tot een nog nader te bepalen datum.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 21 oktober 2024 van de moeder.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft in een gesprek met de rechter haar mening kenbaar gemaakt.
Op 28 maart 2025 heeft de behandeling ter zitting plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Door de advocaat van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad tot 2016.
  • Zij zijn de ouders van de nu nog minderjarige [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1]
  • De vader heeft [minderjarige 1] erkend.
  • [minderjarige 1] verblijft bij de moeder.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 24 november 2020, voor zover hier relevant:
  • is bepaald dat voortaan aan de vader, gezamenlijk met de moeder, het ouderlijk gezag toekomt over [minderjarige 1] ;
  • is bepaald dat [minderjarige 1] bij de vader zal verblijven: om de week van vrijdag tot zondag 18.00 uur, waarbij de vader [minderjarige 1] ophaalt en weer terugbrengt, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen de ouders nader overeen te komen;
  • is bepaald dat de moeder de vader iedere vrijdag per e-mail een update geeft over [minderjarige 1] .
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 25 februari 2025 is, met wijziging in zoverre van voornoemde beschikking van deze rechtbank van 2 april 2024, de door de vader met ingang van 1 januari 2024 te betalen kinderalimentatie bepaald op € 119,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
  • De moeder is ook de moeder van de nu nog minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 1] .
  • De vader is ook de vader van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2005 te [geboorteplaats 2] ;
  • [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2020 te [geboorteplaats 2] .

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt nu nog:
  • te bepalen dat de bij beschikking van deze rechtbank van 24 november 2020 vastgestelde zorgregeling wordt gewijzigd als volgt: één dag per week in het weekend van 10.00 uur tot 19.00 uur in Den Haag zonder aanwezigheid van de partner van de vader, waarbij de vader [minderjarige 1] ophaalt bij de moeder en terugbrengt naar de moeder, althans een regeling die de rechtbank juist acht;
  • te bepalen dat het gezamenlijk gezag wordt gewijzigd en dat het eenhoofdig gezag voortaan enkel aan de moeder toekomt;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Zorgregeling / omgang
De moeder heeft aangegeven dat de vastgestelde zorgregeling niet goed verloopt. [minderjarige 1] heeft een aantal keren verbleven bij de vader in Amsterdam. De vader verblijft bij zijn partner, [naam 2] . De partner van de vader heeft [minderjarige 1] in 2021 en 2022 mishandeld. Daarvan heeft de moeder aangifte gedaan. De situatie is inmiddels zo dat [minderjarige 1] haar vader slechts incidenteel ziet, terwijl zij wel behoefte heeft aan contact met haar vader. [minderjarige 1] weigert te overnachten bij de vader, vanwege zijn partner en de ruzies tussen de vader en zijn partner. [minderjarige 1] heeft nachtmerries vanwege de incidenten. Daarom heeft [minderjarige 1] ook hulpverlening nodig. De moeder verzoekt wijziging van de zorgregeling.
De rechtbank overweegt dat [minderjarige 1] in het gesprek met de rechter heeft aangegeven dat zij haar vader mist, maar geen contact wil met de partner van haar vader. De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij [minderjarige 1] ook heel erg mist. Uiteindelijk hebben de ouders op de zitting overeenstemming bereikt over de zorgregeling zoals die eruit moet komen te zien. De ouders hebben afgesproken dat [minderjarige 1] met de vader zal zijn iedere zaterdag van 11.00 uur tot 18.00 uur inclusief avondeten, in Den Haag, waarbij de vader [minderjarige 1] ophaalt bij en terugbrengt naar de moeder en waarbij geldt dat de partner van de vader niet bij het contact aanwezig zal zijn. De rechtbank acht deze regeling in het belang van [minderjarige 1] . Zo kan het contact met haar vader weer op normale wijze worden vormgegeven.
De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij op zoek is naar een eigen woonruimte, waar hij zijn kinderen in rust kan ontvangen. Als de vader een eigen woonruimte heeft, kunnen de ouders in overleg de zorgregeling eventueel weer uitbreiden. Tot die tijd geldt de zorgregeling zoals door de ouders op de zitting overeengekomen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Gezag
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag, bedoeld in het eerste lid van artikel 1:252 BW Pro beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Het eerste en derde lid van artikel 1:251a worden van overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond hiervan kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De moeder loopt tegen praktische problemen aan sinds de vader het gezag heeft, omdat de vader simpelweg weigert zijn toestemming te verlenen. De school van [minderjarige 1] heeft op 17 augustus 2023 de moeder aangeschreven met de vraag of het lukt de toestemmingsformulieren te tekenen. Doordat de vader lang gewacht heeft, kon [minderjarige 1] niet meedraaien op de eerste schooldag. Ook heeft de vader geweigerd zijn toestemming te verlenen voor de aanvraag van een identiteitskaart. De moeder moet telkens smeken om een handtekening, waarbij zij zelfs van de vader naar Amsterdam moet afreizen voor een handtekening, waarbij dan nog de vraag is of zij die handtekening zal krijgen. Ook heeft de school partijen geadviseerd om [minderjarige 1] aan te melden bij schoolmaatschappelijk werk, maar kan de aanmelding niet worden gerealiseerd omdat de toestemming van de vader ontbreekt. De vader is niet bereikbaar voor de school. Hij zegt toestemming te verlenen, maar handelt er niet naar. De vader heeft zijn gezag diverse keren misbruikt en probeert de moeder tegen te werken. Hij gebruikt het als machtsmiddel en toont geen enkele interesse.
De vader stelt dat hij nooit verzoeken heeft gekregen om toestemming te verlenen. De vader is betrokken bij de school en hecht er waarde aan om zijn actieve vaderrol te blijven vervullen. De vader vreest dat, indien de moeder het eenhoofdig gezag krijgt, hij volledig buiten beeld zal worden geplaatst. Ook heeft de vader een door hem getekend toestemmingsformulier voor de aanvraag van een identiteitskaart van [minderjarige 1] op de zitting overhandigd aan de moeder.
Hoewel gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wet(gever), is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een uitzonderingsgrond zoals bedoeld in artikel 1:251a BW. Het is de rechtbank gebleken uit de door de moeder overgelegde stukken (productie 6 en 7, emailberichten van de school aan partijen) dat aan de vader wel degelijk meermaals is gevraagd om toestemming en dat de moeder en de school van de vader niets hebben vernomen. Gebleken is dat de inschrijving op de nieuwe school van [minderjarige 1] én de hulpverlening ernstig zijn vertraagd, doordat de vader geen toestemming gaf of onbereikbaar was voor de moeder en/of de school. Deze wijze van handelen van de vader is niet in het belang van [minderjarige 1] . Dat de vader – pas op de zitting voor het eerst – een ondertekend toestemmingsformulier overhandigt voor de aanvraag van de identiteitskaart, maakt dat oordeel niet anders. Nu gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] bij gezamenlijk gezag niet op voortvarende manier kunnen worden genomen, acht de rechtbank een wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk. De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag daarom toewijzen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 24 november 2020 – :
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] , bij de vader zal zijn:
- iedere zaterdag van 11.00 uur tot 18.00 uur inclusief avondeten, in Den Haag, waarbij de vader [minderjarige 1] ophaalt bij en terugbrengt naar de moeder en waarbij geldt dat de partner van de vader ( [naam 2] ) niet bij het contact aanwezig zal zijn;
*
bepaalt dat voortaan alleen de moeder het ouderlijk gezag toekomt over [minderjarige 1] ;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, bijgestaan door mr. R.P. Bas als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 april 2025.