ECLI:NL:RBDHA:2025:8813

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
20 mei 2025
Zaaknummer
NL25.6749
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.58 VbArt. 4:84 AwbVreemdelingenbesluit 2000Vreemdelingencirculaire 2000Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verblijfsvergunning medische behandeling voor de duur van één jaar

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'medische behandeling' slechts voor de duur van één jaar toe te kennen, terwijl eiser een vergunning voor vijf jaar vordert.

De minister heeft de vergunning verleend voor één jaar, omdat het Bureau Medische Advisering (BMA) niet heeft geconcludeerd dat de noodzakelijke medische behandeling in Egypte ongewis of niet beschikbaar is gedurende drie of vijf jaar achtereen. Eiser betoogt dat hij vanwege zijn ernstige medische situatie en langdurige verblijf in Nederland op medische gronden recht heeft op een langere vergunning en dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd.

De rechtbank oordeelt dat het BMA-advies van juni 2024 toereikend is en dat de minister de beslissing voldoende heeft gemotiveerd. Het beroep op artikel 4:84 Awb Pro om onevenredige gevolgen aan te voeren faalt eveneens, omdat geen bijzondere individuele omstandigheden zijn vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de verblijfsvergunning medische behandeling wordt voor de duur van één jaar gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6749

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Egyptische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser betreffende de inwilliging van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ voor de duur van één jaar.
1.1.
Bij besluit van 12 juni 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ ingewilligd voor de duur van één jaar, van 4 mei 2024 tot 4 mei 2025.
1.2.
Bij het bestreden besluit van 14 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en is verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ voor de duur van één jaar gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 26 april 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 12 juni 2024 ingewilligd met een geldigheidsduur van 4 mei 2024 tot 4 mei 2025, onder verwijzing naar een advies van het BMA [1] van 11 juni 2024. Met het bestreden besluit van 14 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de geldigheidsduur voor één jaar gebleven, omdat het BMA niet drie jaar achtereen heeft geconcludeerd dat de voor eiser noodzakelijke medische behandeling in Egypte niet beschikbaar is en ook niet vijf jaar achtereen heeft geconcludeerd dat de beschikbaarheid van de medische behandeling ongewis is in Egypte. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van vijf jaar.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister toereikend heeft gemotiveerd waarom de verblijfsvergunning voor de duur van één jaar is verleend en niet voor vijf jaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Juridisch kader
4. Uit artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder p, van het Vb [2] blijkt dat de minister een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘medische behandeling’ kan verlenen voor ten hoogste één jaar of voor vijf jaar, indien de medische behandeling naar het oordeel van de minister blijvend aan Nederland gebonden is.
Paragraaf B8/9.2 van de Vc [3] luidt, voor zover hier van belang als volgt:
De IND kan de verblijfsvergunning regulier voor ‘medische behandeling’ voor de duur van vijf jaar verlenen als:
  • het BMA vijf jaar achtereen heeft geconcludeerd dat de beschikbaarheid van de medische behandeling ongewis is in het land van herkomst. Ongewis houdt in dat er geen actuele landeninformatie beschikbaar is over de beschikbaarheid van medische behandeling. De behandelmogelijkheden zijn daardoor onbekend; of
  • het BMA in een op de vreemdeling betrekking hebbend advies drie jaar achtereen heeft geconcludeerd dat de voor de betrokken vreemdeling noodzakelijke medische behandeling niet beschikbaar is in het land van herkomst.
Wat vindt eiser?
5. Eiser stelt dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is. De minister kan zich niet verschuilen achter de adviezen van het BMA en stellen dat het BMA niet drie jaar achtereen heeft geadviseerd dat eiser niet behandeld kan worden in Egypte maar dit pas in 2024 heeft geadviseerd. Eiser is leverpatiënt en heeft door een wonder kunnen overleven omdat hij in aanmerking kwam voor een levertransplantatie. Het BMA heeft ten onrechte aangegeven dat eiser behandeld kon worden in Egypte en daar ook een transplantatie kon ondergaan. Eiser is, tussen de diverse procedures en hoorzittingen, steeds met regelmaat opgenomen in het ziekenhuis of per ambulance vervoerd naar het ziekenhuis voor behandeling. Zijn leven heeft vaak aan een zijden draadje gehangen. Daarom begrijpt eiser niet dat de minister niet overweegt dat hij in totaal langer dan drie jaar in Nederland heeft verbleven op medische gronden en dat hij niet kon worden behandeld in Egypte. Weliswaar erkent eiser dat, strikt genomen de wettelijke lat niet wordt gehaald, maar eiser stelt dat het onevenredig hard is om hem geen duidelijkheid en rechtszekerheid te verschaffen over zijn verblijfsrechtelijke positie in Nederland. Door een ingediende voorlopige voorziening en toewijzing daarvan kon eiser in Nederland blijven en behandeld worden voor zijn levensbedreigende situatie. Het lijden van eiser is onvoorstelbaar. Eiser wil zich herenigen met zijn familie, in het bijzonder met zijn echtgenote, maar dat kan nog steeds niet.
Heeft de minister toereikend gemotiveerd waarom de verblijfsvergunning voor de duur van één jaar is verleend en niet voor vijf jaar?
6. De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies van 11 juni 2024, kort samengevat en voorzover relevant, is geconcludeerd dat de behandelmogelijkheden in Egypte ongewis zijn. Het actuele ziektebeeld van eiser kan wat betreft de gevolgen en complicaties alle kanten op, waarbij dit zich binnen een termijn van enkele dagen tot weken kan voordoen. Gezien deze grote diversiteit van mogelijk ernstige gevolgen op zeer korte termijn valt volgens het BMA niet te onderzoeken welke behandeling er moet zijn om dit te (kunnen) behandelen, nog afgezien van het feit dat een ontwikkeling waarbij geen enkele behandeling toereikend is, ook een reële mogelijkheid is. Daarom valt voor de BMA-arts niet na te gaan of er voldoende behandelmogelijkheden zijn in Egypte.
6.1.
De minister heeft er verder terecht op gewezen dat in de overige uitgebrachte BMA-adviezen van 18 maart 2022, 9 mei 2022, 5 januari 2023 en van 17 mei 2023 niet tot de conclusie is gekomen door het BMA, zoals is vermeld onder 6. Eiser bestrijdt dit ook niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, anders dan eiser stelt, de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij de gevraagde vergunning slechts heeft verleend voor de duur van één jaar, in plaats van vijf jaar. De beroepsgrond slaagt niet.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van eiser op artikel 4:84 van Pro de Awb [4] niet kan slagen. De minister heeft zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat in het geval van eiser sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat vasthouden aan het beleid voor eiser tot onevenredige gevolgen zou leiden in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Daarbij is van belang, zoals ter zitting ook door de minister is aangegeven, dat is meegewogen dat de wens van eiser om zijn familie weer te zien begrijpelijk is, evenals de wens om hier te lande te verblijven voor een medische behandeling. Eiser heeft nu een verblijfsvergunning regulier medische behandeling gekregen voor de duur van één jaar waarmee hij de behandeling hier in Nederland kan ondergaan. Ter zitting is, desgevraagd, ook opgemerkt dat er onlangs een aanvraag tot verlenging van deze vergunning is ingediend en dat deze nog in behandeling is. In die procedure zal ook weer een BMA-advies worden opgevraagd. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor het besluit onredelijk bezwarend is voor eiser.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bureau Medische Advisering.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Vreemdelingencirculaire 2000.
4.Algemene wet bestuursrecht.