ECLI:NL:RBDHA:2025:8852
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 oktober 2024 waarbij hem geen reguliere verblijfsvergunning is toegekend. Tevens heeft hij een voorlopige voorziening gevraagd om de uitzetting naar Turkije te voorkomen.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting en gaat, vanwege uitzonderlijke omstandigheden waaronder vermoedelijk misbruik van recht en communicatieproblemen binnen een cluster van vergelijkbare zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. De verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welke voorlopige voorziening wordt gevraagd, maar dit wordt geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeerplicht.
De inhoudelijke beoordeling leidt tot afwijzing van het verzoek omdat de verzoeker onvoldoende onderbouwing geeft, met name omtrent het associatierecht tussen de EU en Turkije. Ondanks de mogelijkheid om de gronden aan te vullen, heeft hij dit niet gedaan. Het bezwaar tegen het primaire besluit wordt daarom eveneens ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.