ECLI:NL:RBDHA:2025:8857
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen afwijzing reguliere verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 oktober 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Daarnaast heeft hij een voorlopige voorziening gevraagd om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting en gaat, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en misbruik van recht binnen een cluster van vergelijkbare zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welke voorlopige voorziening wordt gevraagd, maar dit wordt geïnterpreteerd als opschorting van het terugkeerbesluit.
Verzoeker beroept zich zonder onderbouwing op het associatierecht tussen de EU en Turkije en toont bereidheid om de aanvraag aan te vullen, maar maakt geen gebruik van de gelegenheid om gronden aan te vullen. Hierdoor wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen.
Gezien de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar en het ontbreken van kans van slagen, verklaart de voorzieningenrechter het bezwaar ongegrond met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.