ECLI:NL:RBDHA:2025:8860
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 30 oktober 2024, waarin werd bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het besluit, waaronder de terugkeer naar Turkije, op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, gelet op uitzonderlijke omstandigheden waaronder vermoedelijk misbruik van recht en gebrekkige communicatie door verzoekers in een cluster van soortgelijke zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van het terugkeerbesluit.
De inhoudelijke beoordeling wees uit dat verzoeker onvoldoende onderbouwing gaf, met name met betrekking tot het beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije. Ondanks gelegenheid tot aanvulling werden geen aanvullende gronden aangevoerd. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard conform artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Er werden geen proceskosten toegewezen en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.