ECLI:NL:RBDHA:2025:8861
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 november 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting en gaat, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en vermoedelijk misbruik van recht binnen een cluster van soortgelijke zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welke voorlopige voorziening wordt gevraagd, maar dit wordt geïnterpreteerd als opschorting van het terugkeerbesluit.
Verzoeker beroept zich zonder onderbouwing op het associatierecht tussen de EU en Turkije en toont slechts bereidheid om de aanvraag aan te vullen, wat onvoldoende is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af als kennelijk ongegrond en verklaart het bezwaar ongegrond op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning ongegrond verklaard.