ECLI:NL:RBDHA:2025:8886
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 november 2024 waarin werd bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter besloot zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en mogelijke misbruik van recht, voorbij aan de indieningsvereisten. De verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar de rechter nam aan dat het ging om opschorting van de terugkeer.
De verzoeker voerde een beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije aan, maar leverde geen onderbouwing en maakte geen gebruik van de geboden gelegenheid om zijn gronden aan te vullen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard.
Gezien het ontbreken van enige kans van slagen van het bezwaar en het doel van het verzoek om uitzetting te voorkomen, verklaarde de voorzieningenrechter het bezwaar ongegrond met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening en het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning worden afgewezen.