Eiser, een Senegalese staatsburger, diende een opvolgende asielaanvraag in met als grond zijn biseksuele geaardheid, waarbij hij stelde beter in staat te zijn zijn gevoelens te verwoorden na langer verblijf in Nederland. De minister wees de aanvraag af wegens kennelijke ongegrondheid, omdat eiser vaag, oppervlakkig en tegenstrijdig bleef in zijn verklaringen over zijn seksuele geaardheid en relaties.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende inzichtelijk had gemaakt hoe het referentiekader was toegepast, waardoor sprake was van een motiveringsgebrek. Dit gebrek werd echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 AwbPro, omdat de inhoudelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van eiser standhield. Eiser gaf geen nieuwe of overtuigende informatie die zijn seksuele geaardheid aannemelijk maakte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de asielaanvraag. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een heldere motivering bij toepassing van het referentiekader en de hoge bewijslast die rust op de asielzoeker bij het aannemelijk maken van seksuele geaardheid als asielmotief.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12788
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 vanPro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft eerder op 28 mei 2021 een asielaanvraag ingediend en heeft hieraan ten grondslag gelegd de seksuele geaardheid van hem en de daaruit voortvloeiende problemen. Bij besluit van 3 augustus 2021 is deze aanvraag door de minister afgewezen als ongegrond en is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. De nationaliteit en identiteit van eiser zijn geloofwaardig geacht, maar het asielmotief seksuele geaardheid van hem niet. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, ongegrond verklaard bij uitspraak van 10 februari 2022 [2] . Niet gebleken is dat eiser hiertegen een rechtsmiddel heeft aangewend.
2.1.
Eiser heeft op 14 augustus 2024 een opvolgende aanvraag ingediend en heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij door zijn langere verblijf in Nederland beter kan verklaren over zijn seksuele geaardheid. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 maart 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen [3] .
2.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Senegalese nationaliteit en is geboren op [datum]. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is en dat hij inmiddels beter in staat is om zijn gevoelens en gedachten met betrekking tot zijn geaardheid onder woorden te brengen. Eiser heeft verklaard dat er sinds de vorige beslissing van 3 augustus 2021 geen wijzigingen in zijn situatie hebben plaatsgevonden. Hij stelt dat hij op zowel mannen als vrouwen valt, maar dat zijn voorkeur nog steeds uitgaat naar mannen. Ter onderbouwing van zijn geaardheid heeft eiser een steunverklaring overgelegd van Stichting Rainbow Den Haag, waarin wordt verklaard dat eiser een trouwe deelnemer is en regelmatig bijeenkomsten bijwoont.
4. Op 5 maart 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om eisers asielaanvraag af te wijzen. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
biseksuele gerichtheid.
De minister acht het eerste motief geloofwaardig, het tweede motief niet. Daartoe is overwogen dat eiser met de verklaringen tijdens het gehoor in het kader van de opvolgende aanvraag er niet in is geslaagd zijn seksuele gerichtheid aannemelijk te maken. Eiser verblijft al geruime tijd in Nederland en heeft aangegeven dat hij al geruime tijd geleden tot de ontdekking en acceptatie van zijn seksuele geaardheid is gekomen. Volgens de minister mag van eiser worden verwacht dat hij zijn persoonlijke verhaal over zijn ontdekking, zijn gevoelens en gedachten helder kan verwoorden. De minister constateert echter dat de verklaringen algemeen en summier blijven.
De verklaringen van eiser over zijn (liefdes)relaties en de invulling daarvan blijven vaag en oppervlakkig. Ook is eiser vaag en tegenstrijdig over de kennis van [naam] en zijn relatie met haar. Daarnaast heeft eiser geen inzicht gegeven in het belang van het bijwonen van de genoemde bijeenkomsten voor zijn seksuele gerichtheid. Eiser heeft bovendien niet toegelicht waarom hij in de huidige procedure beter zou kunnen verklaren dan voorheen, en verklaarde dat er geen veranderingen hebben plaatsgevonden. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
4.1.
Op 11 maart 2025 heeft eiser zijn zienswijze ingebracht.
5. De minister heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gegronde vrees op vervolging of een reëel risico op ernstige schade, omdat de minister eisers gestelde seksuele geaardheid niet geloofwaardig acht. De minister heeft eisers herhaalde asielaanvraag daarom afgewezen en hem opgedragen terug te keren naar Senegal.
6. Eiser kan zich hier niet mee verenigen. Op wat namens hem in dit verband is aangevoerd gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat van belang is.
Onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
7. Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling van zijn seksuele gerichtheid geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke referentiekader, met name met betrekking tot de ontdekking en invulling van zijn biseksuele geaardheid. Hoewel de minister stelt dat dit referentiekader reeds in een eerdere procedure uitvoerig is behandeld, is daarmee naar eisers mening niet voldaan aan de verplichting om ook in de onderhavige procedure op kenbare en zorgvuldige wijze dit referentiekader te betrekken bij de beoordeling van het asielrelaas. Het enkele verwijzen naar eerdere procedures is in dit verband onvoldoende, temeer nu eiser gemotiveerd heeft gesteld dat hij moeite heeft om over zijn intiemere gevoelens en gedachten te communiceren met derden. Deze omstandigheid is niet, althans niet kenbaar, betrokken bij de beoordeling van zijn verklaringen.
7.1.
Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid heeft de minister WI 2019/17 als uitgangspunt genomen [4] . Volgens WI 2019/17 is het aan de vreemdeling om de gestelde seksuele gerichtheid nader te onderbouwen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid moet de minister rekening houden met het referentiekader van de vreemdeling, zoals het opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur en de afkomst. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval onvoldoende is gebeurd.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister in de voorgaande asielprocedure het referentiekader van eiser heeft geschetst. In het in de onderhavige procedure bestreden besluit en ter zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat zij in de besluitvorming kenbaar en voldoende rekening heeft gehouden met het eerdere vastgestelde referentiekader van eiser zoals dat in de vorige procedure is opgenomen.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de motivering in het bestreden besluit niet deugdelijk is. In het voornemen en het bestreden besluit is in de motivering onvoldoende inzichtelijk gemaakt met welk referentiekader de minister rekening gehouden heeft en op welke wijze bij de beoordeling van de geloofwaardigheid daadwerkelijk rekening is gehouden met het eerder vastgestelde referentiekader van eiser. Hoewel er in het bestreden besluit wordt verwezen naar het referentiekader uit de vorige procedure, ontbreekt een concrete en toetsbare toelichting in het besluit. Zo wordt niet uiteengezet welke specifieke elementen van het referentiekader zijn betrokken bij de waardering van de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid, noch wordt duidelijk gemaakt hoe deze elementen van invloed zijn geweest op de verwachtingen die aan eiser zijn gesteld.
Daarbij merkt de rechtbank op dat het referentiekader in de huidige procedure feitelijk is gewijzigd ten opzichte van het vorige, in die zin dat van eiser – naar zeggen van de gemachtigde van de minister ter zitting – meer verwacht mocht worden gelet op zijn langere verblijf in Nederland. Juist om die reden had het op de weg van de minister gelegen om expliciet te motiveren wat zij concreet van eiser verwachtte, en in hoeverre zijn verklaringen daaraan al dan niet voldeden. Door dit na te laten, heeft de minister onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop het referentiekader is toegepast in de geloofwaardigheidsbeoordeling en schiet de motivering van het bestreden besluit op dit punt tekort.
8. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van 6:22 van de Awb [5] het hierboven vastgestelde motiveringsgebrek te passeren en overweegt daartoe het volgende.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers gestelde biseksuele geaardheid niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. In rechte staat vast dat eiser in zijn voorgaande asielprocedure geen inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke gedachten en gevoelens, en dat hij vaag, oppervlakkig en tegenstrijdig heeft verklaard over hoe en wanneer hij zijn seksuele geaardheid heeft ontdekt, alsook over zijn (gestelde) relaties.
8.2.
In de onderhavige procedure zijn de verklaringen van eiser even vaag, oppervlakkig en tegenstrijdig gebleven als in de vorige procedure. Eiser heeft opnieuw geen inzicht gegeven in zijn persoonlijke gedachten en gevoelens, en is bij zijn verklaringen vaag en oppervlakkig gebleven. Daarnaast heeft eiser wederom tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn relatie met [naam] en in het bijzonder over het moment dat zij op de hoogte raakte van zijn gevoelens voor mannen. Eiser heeft deze tegenstrijdigheden bovendien niet betwist in beroep. Ook heeft de minister voldoende gemotiveerd waarin de verklaringen van eiser over zijn gestelde relatie met Justin als summier en oppervlakkig zijn aangemerkt.
8.3.
Verder heeft de minister de door eiser overgelegde brief van Stichting Rainbow Den Haag, waaruit blijkt dat hij bijeenkomsten bijwoont, in haar beoordeling betrokken. De minister heeft echter niet ten onrechte overwogen dat eiser met zijn verklaringen onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat deze activiteiten voor hem persoonlijk betekenen. In dit verband heeft de minister kunnen oordelen dat de verklaring van eiser dat het bijwonen van de bijeenkomsten hem “zekerheid” geeft, onvoldoende overtuigend is, nu hieruit geen authentieke beleving over eisers seksuele gerichtheid naar voren komt. Onder deze omstandigheden kan het vastgestelde motiveringsgebrek worden gepasseerd en het bestreden besluit in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Het besluit waarin de asielaanvraag van eiser ongegrond is verklaard, blijft met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb in stand.
9.1.
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra - Verbeek, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.