ECLI:NL:RBDHA:2025:895
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen besluit tot ongewenstverklaring
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om eiser ongewenst te verklaren en zijn verblijfsrecht te beëindigen. De minister had het besluit op 12 januari 2021 genomen en naar de gemachtigde van eiser gestuurd. Omdat uitreiking aan eiser zelf niet mogelijk was, is het besluit gepubliceerd in de Staatscourant. Eiser betoogde dat hij niet op de hoogte was van het besluit en dat de termijn voor bezwaar onredelijk was overschreden.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister het besluit op juiste wijze bekend heeft gemaakt door verzending aan de gemachtigde en publicatie in de Staatscourant. Het feit dat de gemachtigde geen contact meer had met eiser en dat eiser zich niet inschreef in de GBA, komt voor zijn eigen rekening en risico. De stelling dat publicatie in de Staatscourant onvoldoende is, wordt verworpen.
De rechtbank oordeelt verder dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Eiser had op de hoogte kunnen zijn van het besluit en de rechtsmiddelenclausule stond in het besluit zelf. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven. Ook wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard wegens niet-tijdige indiening en niet-verschoonbare termijnoverschrijding.