ECLI:NL:RBDHA:2025:8976

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
NL25.21104
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring en schadevergoeding wegens onrechtmatig verblijf Unieburger

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Unieburger tegen een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was opgeheven vóór de zitting, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend.

Verweerder stelde dat de bewaring gerechtvaardigd was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, met zware gronden 3a en 3b als basis. Eiser betwistte dit en voerde aan dat hij aan zijn vertrekplicht had voldaan door naar België te vertrekken en daar te wonen en werken. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd, mede omdat hij niet was ingeschreven in België en binnen vier maanden weer in Nederland was aangetroffen.

De rechtbank vond dat verweerder terecht de zware gronden 3a en 3b had aangevoerd en dat er geen lichtere, doeltreffende maatregelen waren. De beroepsgronden slaagden niet en ook ambtshalve toetsing leidde niet tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21104

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.M. Langereis),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Izat).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 9 mei 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1], als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsmaatregel en rechtmatig verblijf
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken (zie artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, in samenhang met artikel 5.1a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)). Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Verweerder heeft op de zitting zware grond 3c en lichte grond 4c laten vallen.
4. Eiser betwist de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Daartoe voert hij – kort gezegd – aan dat hij aan zijn vertrekplicht heeft voldaan, zodat er geen sprake is van onrechtmatig verblijf. Eiser heeft op 25 januari 2024 (uitgereikt op 30 januari 2024) een verwijderingsbesluit ontvangen waarin zijn rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht is ingetrokken. Eiser meent dat hij hier aan heeft voldaan door naar België te vertrekken en daar een leven op te bouwen.
5. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:506,
FS tegen Nederland) volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen.
6. De rechtbank overweegt dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit. Uit de stukken blijkt dat eiser op 22 januari 2025 in Nederland in vreemdelingenbewaring is gesteld. Eiser heeft bij het gehoor voorafgaand aan die bewaringsmaatregel verklaard Nederland slechts een paar dagen te hebben verlaten. Eiser is vervolgens 4 maanden later, op 3 mei 2025, strafrechtelijk aangehouden in Nederland omdat hij een fiets zou hebben gestolen. Eiser heeft verklaard sinds vier maanden in België te wonen en daar te werken. Hij staat echter niet ingeschreven in België en kan zich zijn adres daar ook niet herinneren. Ook anderszins kan eiser niet aantonen dat hij in België verblijft of werkt. Eisers verblijf buiten Nederland was daarnaast van korte duur, aangezien hij binnen vier maanden weer in Nederland is aangetroffen. De rechtbank gaat niet mee in zijn betoog dat hij alleen voor een weekend naar Nederland was gekomen om een kennis te bezoeken, alleen al omdat eiser in dat weekend is aangehouden voor het stelen van een elektrische damesfiets. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit en dat dit besluit nog steeds geldt.
7. De rechtbank overweegt verder dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3a en 3b zich feitelijk voordoen. Gelet op hetgeen onder 6 is overwogen heeft eiser namelijk geen rechtmatig verblijf in Nederland. Eiser heeft na binnenkomst in Nederland geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf (zware grond 3b). Daarnaast heeft eiser verklaard al langere tijd niet over een paspoort te bezitten zodat hij zonder paspoort Nederland is ingereisd (zware grond 3a). Verweerder heeft de zware gronden 3a en 3b dan ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De bestreden lichte gronden 4a en 4d hoeft gezien het voorgaande geen bespreking.
8. De beroepsgronden slagen niet.
Lichter middel
9. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiser is in het verleden zelfstandig naar België vertrokken zodat niet valt in te zien waarom hij dit nu niet nogmaals kan doen.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat er, zoals hiervoor onder 7 is overwogen, een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In dat kader heeft verweerder kunnen verwijzen naar de omstandigheden dat eiser niet over identiteitsdocumenten beschikt, dat hij niet heeft voldaan aan zijn vertrekverplichting, en dat hij geen melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatige verblijf. Van persoonlijke omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maken, is de rechtbank verder niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
11. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring voorafgaande aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
12. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring voorafgaande aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.