ECLI:NL:RBDHA:2025:899
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens onevenredig bezwarende voortduring vrijheidsontneming door psychische gesteldheid
Eiser werd op 29 december 2024 onder bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in bij de rechtbank, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 januari 2025 verscheen eiser met zijn gemachtigde en een tolk.
Eiser voerde aan dat de vrijheidsontneming onrechtmatig was vanwege het penitentiaire karakter en dat de voortzetting ernstige psychische gevolgen had, waaronder nachtmerries, angsttrillingen en suïcidale gedachten. De rechtbank constateerde dat eiser zichtbaar kwetsbaar en emotioneel was, en dat zijn toestand verslechterd was sinds aankomst in Nederland. Verweerder kon geen plan presenteren om deze verslechtering te keren.
Gezien de geplande behandeling van het asielberoep op 27 maart 2025 en de mogelijke verdere verslechtering achtte de rechtbank de voortzetting van de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en de bewaring per direct opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de maatregel opheffing onrechtmatig werd op de dag van de uitspraak. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank heft de bewaring op wegens onevenredige bezwarendheid door de psychische gesteldheid van eiser.