ECLI:NL:RBDHA:2025:902
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing grensdetentie wegens overschrijding redelijke termijn asielberoep
Eiseres is op 15 november 2024 in grensdetentie geplaatst met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelde beroep in tegen het voortduren van deze vrijheidsontnemende maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2025 behandeld. Uit eerdere rechtspraak bleek dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was, waardoor de beoordeling zich richtte op de periode daarna. Eiseres stelde dat zij procedureel rechtmatig verblijf had vanwege een aanvraag toetsing EU-recht en dat zij als partner van een Belgische burger een inreisrecht had. De rechtbank zag echter geen aanleiding om deze vraag nader te onderzoeken.
De kern van het geschil betrof de duur van de grensdetentie in relatie tot de termijnen van de asielprocedure. De rechtbank constateerde dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag pas na ruim 10 weken zou worden behandeld, wat in strijd is met de vereiste dat detentie zo kort mogelijk moet duren volgens de Opvangrichtlijn. Daarom werd de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 16 januari 2025 onrechtmatig geacht en opgeheven.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de onrechtmatigheid pas op de dag van opheffing ontstond. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres ter hoogte van €1.814,-.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de opheffing van de grensdetentie omdat de duur van meer dan 10 weken niet langer gerechtvaardigd is.