Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:902

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2025
Publicatiedatum
27 januari 2025
Zaaknummer
NL24.51893
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 9 lid 1 OpvangrichtlijnRichtlijn 2013/33Richtlijn 2008/115Richtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing grensdetentie wegens overschrijding redelijke termijn asielberoep

Eiseres is op 15 november 2024 in grensdetentie geplaatst met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelde beroep in tegen het voortduren van deze vrijheidsontnemende maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2025 behandeld. Uit eerdere rechtspraak bleek dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was, waardoor de beoordeling zich richtte op de periode daarna. Eiseres stelde dat zij procedureel rechtmatig verblijf had vanwege een aanvraag toetsing EU-recht en dat zij als partner van een Belgische burger een inreisrecht had. De rechtbank zag echter geen aanleiding om deze vraag nader te onderzoeken.

De kern van het geschil betrof de duur van de grensdetentie in relatie tot de termijnen van de asielprocedure. De rechtbank constateerde dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag pas na ruim 10 weken zou worden behandeld, wat in strijd is met de vereiste dat detentie zo kort mogelijk moet duren volgens de Opvangrichtlijn. Daarom werd de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 16 januari 2025 onrechtmatig geacht en opgeheven.

Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de onrechtmatigheid pas op de dag van opheffing ontstond. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres ter hoogte van €1.814,-.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de opheffing van de grensdetentie omdat de duur van meer dan 10 weken niet langer gerechtvaardigd is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51893

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] ,

V-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2024 is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 december 2024 (in de zaak NL24.45924) volgt dat de vrijheidsontnemende maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij vanwege de door haar op 7 januari 2025 ingediende “Aanvraag toetsing aan het EU-recht familielid van de burger van de Unie”
procedureel rechtmatig verblijf heeft en zij, als partner, ook een inreisrecht heeft om zich bij haar Belgische partner te voegen.
3. Ten aanzien van de beoordeling van het voorgaande heeft de gemachtigde van eiseres geopperd de hierna weergegeven pre-judiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU voor te leggen:
“Leiden de procedurele vereisten van bewaring op grond van Richtlijn 2013/33 of Richtlijn 2008/115, de motiveringsvereisten van het arrest Mahdi (met name rechtsoverweging 44 en 45) en het verdedigingsbeginsel ertoe dat de juridische autoriteit die beslist over de bewaring bij een vreemdeling die zich in bewaring bevindt op grond van deze richtlijnen bij het indienen van een nieuwe andersoortig verzoek tot verblijf door deze vreemdeling in bewaring, maar nu op grond van EU-recht zoals verblijf op grond van richtlijn 2008/34/EG of Richtlijn 2003/86/EG) verwacht kan worden een schriftelijk besluit of een schriftelijke
uiteenzetting te geven over de vraag of de bewaring kan worden voortgezet? Of kan volstaan worden met een mondelinge mededeling tijdens de zitting van de bewaringsrechter? En maakt het voor de beantwoording van deze vraag nog uit of er een beroep wordt gedaan op het inreisrecht van familieleden van artikel 5 van Pro Richtlijn 2004/38/EG?”
4. De rechtbank stelt vast dat uit de aanvraag van eiseres blijkt dat de gestelde partner van eiseres een in België wonende persoon is met de Belgische nationaliteit.
Uit deze aanvraag volgt dus niet dat door de gestelde partner het Unierecht geactiveerd is. Reeds hierom ziet de rechtbank geen reden om in te gaan op de vraag of aan eiseres een verblijfsrecht of inreisrecht zou toekomen op grond van het Unierecht. De rechtbank ziet evenmin reden om de voorgestelde pre-judiciële vraag te stellen.
5. Eiseres voert verder aan dat de belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen. Haar asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond, maar het duurt nog geruime tijd voordat het beroep daartegen op zitting wordt behandeld.
6.1.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2024 [1] volgt dat voor het antwoord op de vraag of de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring is gehouden, zoals is bepaald in artikel 9, eerste lid, eerste volzin van de Opvangrichtlijn, van belang is dat verweerder tijdig op het asielverzoek heeft beslist en het asielberoep binnen afzienbare termijn op een zitting is behandeld. In die zaak kwam de Afdeling tot het oordeel dat een periode van zes en een halve week tussen de indiening van de aanvraag en de geplande zitting in lijn was met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn.
6.2.
In de onderhavige zaak is de asielaanvraag ingediend op 15 november 2024, op welke dag ook de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Verweerder heeft op 25 november 2024 een besluit op de asielaanvraag genomen. Het asielberoep is op 28 januari 2025 op een zitting gepland. Om (niet aan partijen te wijten) organisatorische redenen is het de rechtbank niet gelukt de zaak op een eerdere zitting te plannen. Eiseres zou op het moment van de geplande behandeling van haar beroep tegen het asielbesluit ruim 10 weken in grensdetentie verblijven. Gelet op die duur is de rechtbank thans van oordeel dat de vrijheidsontneming niet zo kort als mogelijk duurt als bedoeld in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn.
7. Het beroep is gegrond en de vrijheidsontnemende maatregel is met ingang van
16 januari 2025 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontneming met ingang van vandaag.
8. Omdat de vrijheidsontneming onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseres schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.