ECLI:NL:RBDHA:2025:9051

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
NL25.18526
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, is sinds 29 december 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van stukken beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat zij de maatregel reeds eerder heeft getoetst en toen rechtmatig bevonden. De beoordeling richt zich daarom op de periode na het sluiten van dat onderzoek. Eiser stelt dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is en dat de minister niet voortvarend handelt, onder meer omdat geen afschrift van rappels aan de Marokkaanse autoriteiten is overgelegd.

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog loopt en dat een termijn van bijna drie maanden niet onredelijk is. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de minister niet heeft gerappelleerd. De voortgangsrapportage wordt als feitelijk juist aangenomen. Gezien de korte termijn sinds de laatste beoordeling is het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18526
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: Mr. G. Cambier).

Procesverloop

De minister heeft op 21 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2003.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 april 2025 (in de zaak NL25.16439) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is. Eiser zit sinds 29 december 2024 in bewaring. Het is onduidelijk wanneer eiser zal worden uitgezet, nu dit ook niet blijkt uit de voortgangsgegevens die de minister heeft overgelegd. Daarnaast werkt de minister niet voortvarend aan eisers uitzetting. De minister stelt rappels aan de ambassade te hebben verzonden. Eiser meent dat een afschrift van deze rappels overgelegd dienen te worden.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt nog. Dat dit bijna drie maanden duurt is op zichzelf niet doorslaggevend, temeer deze autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp aan eiser te zullen verstrekken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is of dat de bewaring onevenredig lang duurt. De rechtbank ziet eveneens geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke juistheid van de inhoud van de voortgangsrapportage betreffende de rappels of daarvoor een nadere onderbouwing te verlangen. Eiser heeft ook nu geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan moet worden betwijfeld of de minister daadwerkelijk heeft gerappelleerd bij de autoriteiten van Marokko. De rechtbank ziet ook niet welk belang van de minister daarbij gediend zou zijn. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de informatie in de voortgangsrapportage. Verder oordeelt de rechtbank dat gelet op de korte termijn die is verstreken sinds de laatste beoordeling van de maatregel, er geen reden is om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 april 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.