ECLI:NL:RBDHA:2025:9080

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
NL25.22703
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht naar Duitsland in asielprocedure

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Verzoeker heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd om zijn overdracht naar Duitsland op 23 mei 2025 te voorkomen en de beroepsprocedure in Nederland af te wachten.

De voorzieningenrechter heeft zonder zitting uitspraak gedaan en overweegt dat verzoeker tweemaal is uitgenodigd voor een gehoor maar niet is verschenen. Verzoeker heeft geen toelichting gegeven op zijn afwezigheid. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, mede omdat verzoeker geen inhoudelijke gronden tegen de overdracht heeft aangevoerd en de overdracht geen onomkeerbare gevolgen heeft.

Ook is van belang dat verzoeker pas op 19 mei 2025 een voorlopige voorziening heeft gevraagd, terwijl het beroep al op 18 april 2025 was ingediend. Verzoeker had dus tijdig een verzoek kunnen indienen om de procedure in Nederland af te wachten. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht naar Duitsland wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22703

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. E. Maalsen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K. Diender).

Procesverloop

1. Bij besluit van 14 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn voorgenomen overdracht naar Duitsland op 23 mei 2025 achterwege blijft en dat hij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten. Verzoeker verwijst hierbij naar de gronden van het beroep, waarin hij heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet gehoord is over zijn bezwaren tegen overdracht aan Duitsland.
3.1.
Gelet op wat is aangevoerd, heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het beroep geen redelijke kans van slagen. Uit de overgelegde bewijsstukken en de toelichting van de minister in het verweerschrift blijkt namelijk dat verzoeker tweemaal is uitgenodigd voor een gehoor en beide keren niet is verschenen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat uit de rapporten niet verschijnen voor gehoor van 11 februari 2025 en 2 maart 2025 blijkt dat verzoeker beide keren de uitnodigingen heeft gekregen van een medewerker ondersteuning te Ter Apel. Verzoeker heeft daarbij geen toelichting gegeven over waarom hij niet verschenen is bij de gehoren. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om op grond van een belangenafweging een voorlopige voorziening te treffen. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker in deze procedure en in de bodemprocedure enkel de grond heeft aangevoerd dat hij gehoord had moeten worden, in samenhang met het hierover gegeven voorlopige oordeel, en geen enkele (inhoudelijke) grond heeft aangevoerd tegen de overdracht naar Duitsland op grond van de Dublinverordening. Daarnaast heeft de overdracht van verzoeker aan Duitsland geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan verzoeker vanuit Duitsland worden teruggeleid naar Nederland. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat verzoeker de mogelijkheid had om eerder een voorlopige voorziening in te dienen, waarmee hij zijn beroepsprocedure in Nederland mocht afwachten. Verzoeker heeft pas op 19 mei 2025 een voorlopige voorziening ingediend, terwijl hij al op 18 april 2025 beroep heeft ingediend. Indien verzoeker zijn beroepsprocedure in Nederland had willen afwachten, had het op zijn weg gelegen om tijdig een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Het is niet gebleken dat verzoeker deze mogelijkheid niet had. Het komt daarom voor rekening en risico van verzoeker dat hij niet eerder een voorlopige voorziening heeft ingediend.
3.2.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, daarom bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.