Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:9102

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
C/09/685405/KG RK 25-687
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens ontbreken behandelend rechter

Verzoeker diende op 15 mei 2025 een wrakingsverzoek in tegen een rechter in de hoofdzaak SGR 25/2334, naar aanleiding van de afwijzing van zijn verzoek om vrijstelling van het griffierecht. De wrakingskamer overwoog dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen een rechter die een zaak behandelt, waarbij sprake moet zijn van feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter kunnen schaden.

Omdat verzoeker het griffierecht in de hoofdzaak niet had voldaan, was er nog geen rechter aan de zaak toegewezen en dus geen behandelend rechter. Hierdoor was het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. De wrakingskamer zag geen aanleiding tot mondelinge behandeling van het verzoek, aangezien het debat over de gegrondheid niet aan de orde was.

De wrakingskamer verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en beval toezending van de beslissing aan verzoeker en de voorzitter van Team Belastingrecht van de rechtbank. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat er nog geen behandelend rechter is toegewezen in de hoofdzaak.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/31
zaak- /rekestnummer: C/09/685405 / KG RK 25-687
Beslissing van 21 mei 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker.

1.De procedure en het wrakingsverzoek

1.1.
Op 15 mei 2025 heeft verzoeker per e-mail een wrakingsverzoek ingediend in de zaak met nummer SGR 25/2334 (hierna: de hoofdzaak).
1.2
Verzoeker heeft in de e-mail het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
“Hierbij wraak ik de rechter.
Op 11 april 2025 heb ik mijn inkomensgegevens overlegd.
Op 14 mei 2025 werd mijn verzoek om vrijstelling oneigenlijk en ongemotiveerd afgewezen.
Graag een rechter die wel zijn/haar dossier op orde heeft en kan rekenen.”

2.De beoordeling

2.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
2.2.
Uit het verzoek blijkt dat verzoeker zijn wrakingsverzoek heeft ingediend omdat zijn verzoek om vrijstelling oneigenlijk en ongemotiveerd is afgewezen.
2.3.
Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Onder het ‘behandelen van een zaak’ valt elke rechterlijke bemoeienis met een zaak, van welke aard en omvang dan ook.
2.4.
Verzoeker heeft in de hoofdzaak het griffierecht niet voldaan. Omdat het griffierecht niet is voldaan, bevindt de hoofdzaak zich nog niet in het stadium waarin er een rechter aan de zaak is toegewezen. Er is dus nog geen behandelend rechter bekend. De wrakingskamer zal verzoeker daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn wrakingsverzoek.
2.5.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
3.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
3.2.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, Awb wordt toegezonden aan:
 de verzoeker;
 de voorzitter van Team Belastingrecht van deze rechtbank.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en S.M. Westerhuis-Evers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.