ECLI:NL:RBDHA:2025:9116
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker bezwaar gemaakt tegen een besluit van 7 november 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens heeft hij een voorlopige voorziening verzocht om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting en gaat, gezien uitzonderlijke omstandigheden en mogelijke misbruik van recht, voorbij aan de indieningsvereisten. De verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welke voorlopige voorziening wordt gevraagd, maar het verzoek wordt geïnterpreteerd als een opschorting van de terugkeerplicht.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar geen kans van slagen heeft omdat de verzoeker onvoldoende onderbouwing geeft, met name met betrekking tot het associatierecht. De verzoeker heeft de gelegenheid gekregen om zijn gronden aan te vullen maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.