ECLI:NL:RBDHA:2025:9119
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 oktober 2024 waarin werd bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting en gaat, gezien uitzonderlijke omstandigheden en vermoedelijk misbruik van recht, voorbij aan indieningsvereisten. Verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welke voorlopige voorziening wordt gevraagd, maar dit wordt geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeer.
Verzoeker beroept zich zonder onderbouwing op het associatierecht tussen de EU en Turkije en toont bereidheid de aanvraag aan te vullen, maar maakt geen gebruik van de gelegenheid daartoe. De voorzieningenrechter acht het bezwaar kansloos en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard met toepassing van artikel 78 Vreemdelingenwet Pro 2000. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.