ECLI:NL:RBDHA:2025:9120
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 oktober 2024 waarin werd bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en mogelijke misbruik van recht, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeerplicht.
Verzoeker voerde een beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije zonder onderbouwing en gaf geen aanvullende gronden ondanks gelegenheid daartoe. Hierdoor werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard. Het bezwaar werd eveneens ongegrond verklaard, mede omdat geen twijfel bestond over de uitkomst van het bezwaar. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.